Naar boven ↑

Rechtspraak

Sprintwerkt B.V./werknemers
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 maart 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:2327

Sprintwerkt B.V./werknemers

Overgang van onderneming na indiensttreding 26 van de 39 uitzendwerknemers bij nieuwe werkgever. Tewerkstelling bij materiële werkgever kan niet worden toegewezen.

Rikla Industriële Diensten B.V. (hierna: Rikla) biedt aan productiebedrijven diverse diensten die haar medewerkers uitvoeren. Sinds een aantal jaren is Recticel Nederland B.V. te Kesteren (hierna: Recticel) Rikla’s enige opdrachtgever. Het merendeel van Rikla’s medewerkers (39) werkt bij Recticel in de productie. Vanwege onder meer de invoering van de WAS heeft Recticel de overeenkomst met Rikla opgezegd. Werknemers konden via een overeenkomst tussen Rikla, Recticel en SprintWerkt, bij laatstgenoemde in dienst treden met een werkgarantie bij Recticel van 12 maanden. Van de 39 werknemers hebben 26 medewerkers gekozen voor de door Rikla en Recticel geboden oplossing, middels het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het aanvaarden van een nieuwe arbeidsovereenkomst door SprintWerkt. Het UWV heeft de gevraagde toestemming voor de resterende (in deze zaak betrokken) werknemers verleend bij beslissing van 14 augustus 2015. Rikla heeft de arbeidsovereenkomsten met werknemers vervolgens opgezegd tegen 1 oktober 2015. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. De omstandigheid dat 26 van de 39 werknemers van Rikla die bij Recticel (sinds jaren de enige klant van Rikla) ‘in de productie’ werkten ervoor hebben gekozen zonder feitelijke onderbreking (maar met ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Rikla en indiensttreding bij SprintWerkt) vanaf 1 juli 2015 deze werkzaamheden te blijven verrichten, rechtvaardigt die conclusie. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat werknemers niet kunnen afdwingen dat zij bij Recticel tewerk worden gesteld. Nu SprintWerkt heeft aangevoerd dat op dit moment geen werkzaamheden voor werknemers voorhanden zijn, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat toewijzing van de tewerkstelling bij SprintWerkt evenmin in de rede ligt. Dat Rikla het loon tot 1 oktober 2015 heeft uitbetaald, staat aan toewijzing van de loonvordering tot aan die datum in de weg, aldus de voorzieningenrechter in haar voorlopige oordeel.

Het hof oordeelt als volgt. Rikla is een uitzendbureau in dienst waarvan voor 1 juli 2015 van de in totaal 46 werknemers 39 bij Recticel in de productie werkzaam waren. Van die werknemers zijn met ingang van 1 juli 2015 26 werknemers bij SprintWerkt in dienst getreden. SprintWerkt heeft deze werknemers, die reeds gedurende een aantal jaren het productiewerk bij Recticel verrichtten, eveneens bij Recticel in de productie tewerkgesteld. De kennis en ervaring die de werknemers in dienst van Rikla hebben verworven, hebben zij daarom na 1 juli 2015 voor SprintWerkt kunnen inzetten. Het hof is van oordeel dat uit deze feiten volgt dat Rikla bedrijfsmiddelen aan SprintWerkt heeft overgedragen die bij haar een operationeel geheel vormden waarmee zelfstandige diensten konden worden verricht. Als gevolg van de overgang van een groot aantal werknemers met relevante kennis en ervaring (know-how) en de enige klant (Recticel) van Rikla naar SprintWerk, was SprintWerkt immers in staat met ingang van 1 juli 2015 deze uitzendkrachten aan Recticel ter beschikking te stellen. Dit gaat, anders dan SprintWerkt heeft aangevoerd, verder dan een uitbreiding van uitzendwerk aan de zijde van SprintWerkt. Dat SprintWerkt ook voor 1 juli 2015 productiemedewerkers aan Recticel uitleende, leidt niet tot een ander oordeel. Naar het voorlopig oordeel van het hof moet Rikla worden aangemerkt als een economische eenheid in de zin van de richtlijn. SprintWerkt heeft dan ook het grootste deel van de ondernemingsactiviteiten van Rikla zonder feitelijke onderbreking duurzaam voortgezet. Aangezien de overgenomen werknemers voor de overname gedurende een aantal jaren via Rikla bij Recticel in de productie werkzaam zijn geweest, heeft SprintWerkt, anders zij aanvoert, qua deskundigheid een wezenlijk deel van het personeel van Rikla overgenomen. Het hof is dan ook - het geheel overziende - vooralsnog van oordeel dat sprake is van identiteitsbehoud. Uit het voorgaande volgt dat in de productie de exploitatie van uitzendbureau Rikla, voor zover dit betreft het uitlenen van werknemers van Rikla aan Recticel, per 1 juli 2015 op SprintWerkt is overgegaan en dat daarmee een wijziging heeft plaatsgevonden in de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de onderneming en als werkgever ten opzichte van de werknemers verplichtingen aangaat. Partijen hebben kennelijk de wens gehad tot deze wijziging over te gaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan daaruit worden afgeleid dat aan de overgang een overeenkomst als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de richtlijn en artikel 7:662 lid 2 aanhef en onder a BW ten grondslag ligt.

De loonvordering wordt toegewezen. De tewerkstelling bij Recticel en SprintWerkt wordt afgewezen.