Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Diakonessenhuis c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23 december 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:9660

werkneemster/Stichting Diakonessenhuis c.s.

Arbeidsongeval. Nadere onderbouwing en/of bewijslevering leiden tot afwijzing verzoeken in deelgeschilprocedure.

Op 23 juli 2010 is werkneemster uitgegleden en gevallen bij de balie van de polikliniek van het ziekenhuis. Thans verzoekt werkneemster de kantonrechter te bepalen dat het ziekenhuis en Centramed, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dat werkneemster in de uitoefening van haar werkzaamheden is overkomen op 23 juli 2010 en waaraan zij blijvend lichamelijk letsel heeft overgehouden. Aan dit verzoek legt werkneemster het volgende ten grondslag. Tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden is werkneemster uitgegleden over een plas water die voor de balie van de polikliniek op de vloer lag. Door dit ongeval heeft werkneemster schade geleden. Werkneemster beroept zich daarbij op artikel 7:658 BW, 6:174 BW en 6:162 BW. Het ziekenhuis en Centramed voeren gemotiveerd verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster op 23 juli 2010 tijdens haar werk ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door werkneemster geleden schade als gevolg van het ongeval. De vraag die daarmee dus beantwoord moet worden is of het ziekenhuis op grond van artikel 7:658 BW, artikel 6:174 BW of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor (de schade als gevolg van) de val van werkneemster. Hierover wordt als volgt geoordeeld. Vast staat dat werkneemster op 23 juli 2010 tijdens haar werk ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Dit betekent dat het ziekenhuis op grond van artikel 7:658 lid 2 BW daarvoor in beginsel aansprakelijk is. De exacte toedracht van het ongeval hoeft daarbij niet vast te staan terwijl een onzekere toedracht voor risico van de werkgever komt (HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 en HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430). Om vervolgens te kunnen concluderen dat het ziekenhuis niet aansprakelijk is, is het aan het ziekenhuis om aan te tonen dat aan de zorgplicht is voldaan. Het ziekenhuis stelt dat zij een adequaat veiligheids- en schoonmaakbeleid heeft, waarbij het voor zich spreekt dat defecten worden gerepareerd, eventuele gevaarlijke situaties worden opgelost en dat met regelmaat schoonmaak plaatsvindt. Werkneemster daarentegen is van mening dat het ziekenhuis de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, omdat de leidingen kennelijk onvoldoende zijn onderhouden waardoor een lekkage in het plafond kon ontstaan met water op de werkvloer tot gevolg. Waardoor werkneemster ten val is gekomen is (in deze procedure) niet duidelijk geworden. De toedracht kan ook niet aan de hand van de stukken die deel uitmaken van het procesdossier worden vastgesteld. In het verlengde daarvan kan de kantonrechter, indien sprake zou zijn van lekkage, dus ook niet vaststellen of het ziekenhuis aan haar zorgplicht heeft voldaan. Omdat de toedracht niet vaststaat, valt evenmin te beoordelen of de val van werkneemster aangemerkt moet worden als een ‘huis-, tuin- en keukensituatie’, waarvoor het ziekenhuis niet aansprakelijk is. Dit betekent dat een en ander door middel van nadere onderbouwing en/of bewijslevering (door het ziekenhuis) duidelijk moet worden. In het kader van deze deelgeschilprocedure is daarvoor in principe echter geen ruimte. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een schending van de zorgplicht en in het verlengde daarvan van aansprakelijkheid van het ziekenhuis. Voor zover het verzoek is gebaseerd op artikel 7:658 BW wordt het verzoek dan ook afgewezen. Werkneemster heeft haar verzoek tevens gebaseerd op artikel 6:174 en 6:162 BW. Ook dit verzoek komt niet voor toewijzing in aanmerking. Immers, niet is komen vast te staan dat sprake is van een lekkage waardoor water op de vloer terecht is gekomen. Of er sprake is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen kan daardoor niet worden vastgesteld. Ook dit zal door middel van bewijslevering duidelijk moeten worden. Zoals hiervoor is overwogen, zal in het kader van dit deelgeschil echter niet worden overgegaan tot bewijslevering.