Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 5 januari 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:2465

werkneemster/Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond

Met een ‘akte van ontslag’ en een ‘akte van benoeming’ van gelijke datum is functiewijziging/herplaatsing van langdurig arbeidsongeschikte werkneemster vormgegeven. Arbeidsovereenkomst is feitelijk niet beëindigd, zodat geen transitievergoeding verschuldigd is.

Werkneemster is vanaf 4 januari 2002 tot 1 augustus 2015 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als lerares werkzaam geweest bij SIPOR. Op 17 januari 2013 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 22 juni 2015 heeft het UWV vanaf 11 juni 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Op 13 juli 2015 is een akte van ontslag aan werkneemster verleend wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op 13 juli 2015 is tevens een akte van benoeming aan werkneemster verleend. Vanaf 1 augustus 2015 is werkneemster voor onbepaalde tijd benoemd tot onderwijsassistent. Werkneemster stelt dat zij recht heeft op de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan werkneemster stelt, wordt de arbeidsovereenkomst door de akte van ontslag d.d. 13 juli 2015 niet opgezegd. Kennelijk op grond van in het verleden in het bijzonder onderwijs gebruikelijke vormen en terminologie, heeft SIPOR de functiewijziging per 1 augustus 2015 bevestigd in de vorm van een ‘akte van ontslag’ en een ‘akte van benoeming’ van gelijke datum. Feitelijk echter is de arbeidsovereenkomst niet beëindigd en opnieuw aangegaan, maar ononderbroken voortgezet zij het onder gewijzigde voorwaarden. De stelling van werkneemster dat de arbeidsovereenkomst met de akte van ontslag is opgezegd, wordt op grond van het vorenstaande (‘wezen gaat voor schijn’) van de hand gewezen. Met de vorenbedoelde aktes is uitsluitend de herplaatsing binnen de organisatie vormgegeven, hetgeen partijen ook beoogd hebben. Het primaire verzoek van werkneemster wordt afgewezen. Werkneemster zoekt voor haar standpunt steun in artikel 7:673 lid 5 BW. Dit artikellid ziet echter slechts op de situatie waarin sprake is van beëindigde en elkaar binnen een bepaalde tijd opvolgende arbeidsovereenkomsten, in welk geval een betaalde transitievergoeding mag worden verrekend. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor, nu immers feitelijk sprake is van een doorlopende arbeidsovereenkomst, zij het op basis van andere arbeidsvoorwaarden. De subsidiaire vordering waarin werkneemster een transitievergoeding vraagt voor de verminderde werktijd (van werktijdfactor 1,0 naar 0,8) ontbeert op dezelfde gronden als ten aanzien van de primaire vordering is geoordeeld een deugdelijke grondslag. Bovendien geldt dat werkneemster de nieuwe functie is aangeboden met een werktijdfactor 1 en dat zij zelf heeft gekozen voor een werktijdfactor 0,8 zodat in zoverre sprake is van een wijziging met wederzijds goedvinden en op grond van artikel 7:673 lid 1 BW geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding. Volgt afwijzing van de vordering.