Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 maart 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:1186
ABN Amro Arbo Services BV/werknemer
Werknemer (geboren 1961) is vanaf 1 april 1986 werkzaam geweest bij (de rechtsvoorganger van) Arbo Services, laatstelijk in de functie van hoger veiligheidsdeskundige/ergonoom. Op de dienstbetrekking is van toepassing de Sociaal Plan CAO 2013-2015 (verder: het sociaal plan). In 2014 heeft Arbo Services een reorganisatie aangekondigd. Werknemer heeft op 8 april 2014 gekozen voor vertrek bij Arbo Services per 1 juli 2014 en uitbetaling van een stimuleringspremie, onder toepassing van het sociaal plan, ten bedrage van € 172.797,37 bruto. In de daartoe opgestelde beëindigingsovereenkomst is als ontbindende voorwaarde opgenomen dat indien werknemer tussen sluiting overeenkomst en einde dienstverband alsnog herplaatsbaar is in een passende functie, de overeenkomst vervalt of wordt opgeschort (in geval van tijdelijke plaatsing). ABN Amro heeft in juni 2014 aan Arbo Services bericht dat zij het voorgenomen besluit tot wijziging van het verzuimbeleid niet aan het juiste medezeggenschapsorgaan had voorgelegd en dat, totdat dit traject alsnog was afgerond, de dienstverlening door Arbo Services op de tot dan toe geldende voorwaarden werd voortgezet. Arbo Services heeft haar reorganisatiebesluit vervolgens opgeschort en bij brief van 12 juni 2014 aan werknemer meegedeeld dat zijn aanzegperiode werd verlengd en zijn boventalligheid werd uitgesteld. Uiteindelijk heeft de hele reorganistatie niet plaatsgevonden. De centrale vraag is of Arbo Services zich terecht beroept op de ontbindende en/of opschortende voorwaarden van de overeenkomst.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt dat doel en strekking van het sociaal plan is om een regeling te bieden onder meer voor het geval dat de functie van een werknemer vervalt. Daarbij is een van de uitgangspunten, zo blijkt mede uit hoofdstuk II van het sociaal plan, dat plaatsing in de mobiliteitsorganisatie zo veel mogelijk wordt voorkomen. Het sociaal plan biedt aan de werknemers die toch in die mobiliteitsorganisatie worden geplaatst de mogelijkheid om, tenzij gedurende de aanzeggingstermijn alsnog een passende functie wordt aangeboden, in plaats daarvan te kiezen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van een stimuleringspremie. Werknemer heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt waarna ter uitwerking van deze keuze de beëindigingsovereenkomst is opgesteld en door partijen ondertekend. In die overeenkomst is, in overeenstemming met de strekking van het sociaal plan, als voorwaarde opgenomen dat de beëindigingsdatum, en daarmee de betaling van de premie, wordt opgeschort in het geval dat de werknemer alsnog in een tijdelijke passende functie wordt geplaatst en dat de overeenkomst geheel vervalt indien de werknemer alsnog (voor onbepaalde duur) in een passende functie wordt geplaatst. Het hof is gelet op een en ander van oordeel dat de in de overeenkomst neergelegde voorwaarden zodanig dienen te worden uitgelegd dat deze ook zijn vervuld indien gedurende de aanzeggingstermijn alsnog wordt aangeboden verder te werken in de eigen functie. Daarmee wordt immers, net als met een plaatsing in een andere dan de eigen functie, voorkomen dat de medewerker wordt geplaatst in de mobiliteitsorganisatie. Deze uitleg strookt met doel en strekking van het sociaal plan, met het uitgangspunt dat plaatsing in de mobiliteitsorganisatie zo veel mogelijk wordt voorkomen en met het uitgangspunt dat de stimuleringspremie wordt aangeboden als alternatief voor plaatsing in die mobiliteitsorganisatie. Daarbij komt dat nergens in de overeenkomst en het sociaal plan uitdrukkelijk wordt uitgesloten dat ook de eigen functie een passende functie is en dat het aanmerken van de eigen functie als passend bovendien in de rede ligt, zodat partijen dit bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs behoorden te begrijpen. Dat de ontbinding of opschorting in strijd is met de redelijkheid en billijkheid verwerpt het hof.