Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 5 april 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:1311
werknemer/werkgever
Op 29 december 2014 is tussen werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ondertekend. Werknemer heeft zich op 30 januari 2015 ziek gemeld. Op 5 februari 2015 is werknemer gebeld door werkgever met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd, in de veronderstelling dat de tussen partijen overeengekomen proeftijd nog van kracht was. Dit verleende ontslag is op 13 februari 2015 weer ingetrokken. Werknemer heeft echter bij de bedrijfsarts aangegeven dat hij zijn werkzaamheden niet meer kan hervatten, nu sprake is van ziekte in de vorm van (situatieve) arbeidsongeschiktheid. Door werkgever is het loon vervolgens stopgezet.
Werknemer vordert dat werkgever wordt veroordeeld om onder meer het loon te betalen vanaf 1 april 2015 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen over de periode 1 april 2015 t/m 22 april 2015. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Werkgever heeft geen initiatief genomen om de verhoudingen met werknemer te normaliseren en heeft zich zelfs zodanig opgesteld dat werknemer terecht geen enkel vertrouwen meer had in de oprechtheid van de bedoelingen van werkgever. Daartoe is redengevend dat uit de transcriptie van een gesprek dat plaatsvond op 9 februari 2015 tussen werkgever en werknemer blijkt dat werknemer tijdens dit gesprek is geschoffeerd en geïntimideerd. Werkgever is tekeer gegaan tegen werknemer op een wijze die de grenzen van het betamelijke ver overschrijdt. Tussen werkgever en werknemer heeft vervolgens een telefoongesprek plaatsgevonden waarin aan werknemer is medegedeeld dat hij aan het bureau van werkgever zou moeten plaatsnemen. Ook hiermee heeft werkgever het beginsel van goed werkgeverschap geschonden. De aankondiging om aan het bureau van werkgever te moeten plaatsnemen, kan het hof, gelet op het gesprek met werkgever op 9 februari 2015, niet anders opvatten dan als pesterij. De bedrijfsarts heeft op 31 maart 2015 mediation geadviseerd. In plaats daarvan heeft werkgever werknemer verzocht om zich een dag later te melden voor werkhervatting en voor een daaraan voorafgaand gesprek. Werkgever heeft op 23 april 3015 werknemer verzocht te komen praten met een casemanager over het plan van aanpak. Werknemer heeft daarop gevraagd om het concept van het plan van aanpak op te sturen. Strikt genomen is dus geen sprake geweest van een weigering om mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak. Feitelijk zou dat wel als een weigering kunnen worden opgevat, ware het niet dat het hof in dit specifieke geval voorshands van oordeel is dat werkgever gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden niet meer van werknemer kon verwachten dat hij zich zou melden voor een gesprek met de casemanager. Uit die omstandigheden blijkt immers dat werkgever uitsluitend heeft getracht het geschil te laten escaleren, in plaats van dat zij daadwerkelijke en reële pogingen heeft ondernomen om de lucht te klaren. Werknemer heeft geen voorwaarden verbonden aan zijn bereidheid tot het verrichten van de bedongen arbeid. Hij heeft bij herhaling medegedeeld het redelijk te vinden dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om een onafhankelijke mediator aan te wijzen. In dit verband is van belang dat de bedrijfsarts niet consistent en onduidelijk is geweest. Deze onduidelijkheid dient voor risico van werkgever te komen, omdat werkgever kan kiezen voor een bedrijfsarts. Het werkverzuim is gelet op al het voorgaande niet ongeoorloofd geweest, omdat het werk niet is verricht vanwege een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van werkgever behoort te komen. Volgt toewijzing van het loon over de periode 1 april 2015 tot 5 juli 2015.