Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 5 april 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:823
Stichting SBOH (Stichting Beroepsopleiding Huisartsen)/werknemer
De Stichting is de werkgeefster van huisartsen in opleiding en specialisten ouderengeneeskunde in opleiding. De Stichting financiert de opleiding van deze zogenoemde aios doordat zij als formele werkgeefster optreedt bij de arbeidsovereenkomst die een aios met haar sluit en uit dien hoofde de salarisbetalingen aan de aios verricht. De opleiding zelf wordt door een afzonderlijk opleidingsinstituut verzorgd, in dit geval is dat Gerion/VU medisch centrum (hierna: Gerion). Werknemer is in februari 2010 met Gerion een opleidingsovereenkomst aangegaan, waarbij de aanvang van de opleiding is vastgesteld op 1 september 2010. Op 24 juni 2010 is werknemer met de Stichting een arbeidsovereenkomst aangegaan. Deze arbeidsovereenkomst bepaalt in artikel 2: ‘De aios treedt 01-09-2010 althans met ingang van de datum waarop de opleidingsovereenkomst wordt aangegaan, in dienst van de SBOH voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van de opleidingsovereenkomst. Gerion heeft de opleidingsovereenkomst met werknemer voortijdig beëindigd per 1 juni 2012. Werknemer heeft tegen de beslissing tot beëindiging van de opleiding beroep ingesteld bij de Geschillencommissie van de KNMG. Bij uitspraak van 4 maart 2013 heeft de Geschillencommissie geoordeeld dat het hoofd van de opleiding, op grond van de in de uitspraak opgenomen overwegingen, de opleiding van werknemer heeft kunnen beëindigen. Tussen 1 juni 2012 en 4 maart 2013 heeft de Stichting aan werknemer zijn loon doorbetaald, in totaal een bedrag van € 20.852,65. De Stichting vordert in dit geding terugbetaling van het door haar betaalde bedrag aan loon over de periode tussen de datum waarop de opleiding is beëindigd, 1 juni 2012, en de datum van de uitspraak van de Geschillencommissie, 4 maart 2013, te vermeerderen met rente en kosten. De Stichting legt aan die vordering ten grondslag dat zij het loon onverschuldigd heeft betaald, nu de beëindiging van de opleiding per 1 juni 2012 in stand is gelaten door de Geschillencommissie, en het einde van de arbeidsovereenkomst daaraan is gekoppeld.
Het hof oordeelt als volgt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat artikel 70 lid 2 van de regeling zo moet worden uitgelegd dat de werking van een besluit tot beëindiging van de opleiding wordt uitgesteld tot het moment waarop de Geschillencommissie zich uitspreekt over de vraag of de opleiding kon worden beëindigd. De ratio van de aan het instellen van beroep toegekende schorsende werking is dat de aios hangende het beroep door kan gaan met zijn opleiding zodat, als de aios uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld, er geen ‘gat’ in de opleiding is ontstaan, zoals blijkt uit de in eerste aanleg als productie 9 bij de conclusie van 25 maart 2014 overgelegde toelichting bij het Besluit van 13 februari 2013 houdende wijziging van het Kaderbesluit CCMS (per 1 januari 2013) in verband met het vaststellen van het moment van beëindiging van de opleiding in geval van een geschillenprocedure. De gedachte is derhalve dat de aios doorwerkt en dus ook zijn salaris krijgt doorbetaald. Hiermee strookt niet dat de aios, indien de Geschillencommissie oordeelt dat de opleiding kon worden beëindigd, het salaris over de periode vanaf het besluit tot beëindiging tot aan de uitspraak van de Geschillencommissie zou moeten terugbetalen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat dit evenmin strookt met de te beschermen positie van de aios als werknemer. De Stichting heeft onvoldoende aangetoond dat op grond van artikel 7:628 BW het loonrisico in deze periode voor rekening van werknemer moet komen.