Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 april 2016
ECLI:EU:C:2016:278
Dansk Industri (DI), lasthebber van Ajos/ervan van Rasmussen
De verwijzende rechterlijke instantie verklaart dat Rasmussen, aangezien hij sinds 1 juni 1984 bij Ajos in dienst was geweest, in beginsel op grond van § 2 a lid 1 van de Bediendenwet recht had op een ontslagvergoeding overeenkomend met zijn loon voor drie maanden. Aangezien hij op het tijdstip van zijn vertrek 60 jaar oud was en recht had op een door de werkgever betaald ouderdomspensioen op grond van een regeling waarbij hij zich vóór het bereiken van de leeftijd van 50 jaar had aangesloten, had hij volgens § 2 a lid 3 van die wet, zoals uitgelegd in vaste nationale rechtspraak, echter geen recht op deze vergoeding, ook al is hij na zijn vertrek bij Ajos werkzaam gebleven op de arbeidsmarkt. De rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat uit het arrest Ingeniørforeningen i Danmark (C-499/08, ECLI:EU:C:2010:600) volgde dat § 2 a lid 3 van de Bediendenwet in strijd was met Richtlijn 2000/78, en heeft vastgesteld dat de eerdere nationale uitlegging van deze § 2 a in strijd was met het algemene Unierechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd. Ajos is tegen dit vonnis opgekomen bij het Højesteret (hooggerechtshof) en heeft daarbij aangevoerd dat een aan het arrest Ingeniørforeningen i Danmark (C-499/08, ECLI:EU:C:2010:600) conforme uitlegging van § 2 a lid 3 van de Bediendenwet een uitlegging contra legem zou opleveren. Ajos betoogt eveneens dat een zo duidelijke en ondubbelzinnige regel als § 2 a lid 3 van die wet niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van het algemene Unierechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd, zonder het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen te schenden. Na eraan te hebben herinnerd dat het in het onderhavige geval gaat om een geschil tussen particulieren, in het kader waarvan geen rechtstreekse werking zou kunnen worden toegekend aan de bepalingen van Richtlijn 2000/78, en dat een Unierechtconforme uitlegging van § 2 a lid 3 van de Bediendenwet in strijd zou zijn met de nationale rechtspraak, vraagt de verwijzende rechterlijke instantie zich af, of het algemene Unierechtelijke verbod van discriminatie op grond van leeftijd door een werknemer tegen zijn particuliere werkgever kan worden ingeroepen om deze laatste te verplichten een ontslagvergoeding te betalen waarin het Deense recht voorziet, ofschoon die werkgever volgens het nationale recht van betaling daarvan zou zijn bevrijd. In de onderhavige zaak rijst dan ook de vraag in hoeverre een ongeschreven beginsel van het Unierecht eraan in de weg kan staan dat een particuliere werkgever zich op een met dat beginsel strijdige nationale wetsbepaling beroept.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie, die uitspraak dient te doen in een geding tussen particulieren, in wezen te vernemen of het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een werknemer geen recht op een ontslagvergoeding heeft wanneer hij recht heeft op een door de werkgever betaald ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling waartoe hij voor het bereiken van zijn vijftigste levensjaar is toegetreden, ongeacht of de werknemer ervoor opteert op de arbeidsmarkt te blijven dan wel met pensioen te gaan. In dit verband hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat, zoals het Hof al heeft geoordeeld, § 2 a lid 3 van de Bediendenwet, door op algemene wijze een hele categorie werknemers van de speciale ontslagvergoeding uit te sluiten, de voorwaarden voor ontslag van deze werknemers in de zin van artikel 3 lid 1 onderdeel c van Richtlijn 2000/78 betreft (arrest Ingeniørforeningen i Danmark, C-499/08, ECLI:EU:C:2010:600, punt 21). Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht, en bijgevolg binnen die van het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd, valt. In deze omstandigheden en gelet op het feit dat het Hof al heeft geoordeeld dat de artikelen 2 en 6 lid 1 van Richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als deze waarop het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft, volgens welke werknemers die in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen dat door hun werkgever wordt betaald uit hoofde van een pensioenregeling waarbij zij zich vóór hun vijftigste levensjaar hebben aangesloten, alleen op die grond niet in aanmerking komen voor een speciale ontslagvergoeding die is bedoeld om de herintreding in het arbeidsproces van werknemers met een anciënniteit van meer dan twaalf jaar in de onderneming te bevorderen (arrest Ingeniørforeningen i Danmark, C-499/08, ECLI:EU:C:2010:600, punt 49), geldt hetzelfde voor het fundamentele beginsel van gelijke behandeling, waarvan het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd slechts een bijzondere uitdrukking is. Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd, zoals dat concreet gestalte heeft gekregen in Richtlijn 2000/78, aldus moet worden uitgelegd dat het zich, ook in een geschil tussen particulieren, verzet tegen een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een werknemer geen recht op een ontslagvergoeding heeft wanneer hij recht heeft op een door de werkgever betaald ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling waartoe hij voor het bereiken van zijn vijftigste levensjaar is toegetreden, ongeacht of de werknemer ervoor opteert op de arbeidsmarkt te blijven dan wel met pensioen te gaan.
Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een geding tussen particulieren, toestaat om, wanneer is aangetoond dat de relevante nationale bepaling in strijd is met het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd, dat verbod af te wegen tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en te oordelen dat die beginselen voorrang dienen te krijgen boven dat verbod. In deze context wenst de verwijzende rechterlijke instantie ook te vernemen, of zij bij die afweging rekening mag of moet houden met het feit dat de lidstaten verplicht zijn de schade te vergoeden die door de onjuiste omzetting in nationaal recht van een richtlijn als Richtlijn 2000/78 aan particulieren is berokkend. Wat de vraag betreft, welke verplichtingen uit het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen voortvloeien voor een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een geding tussen particulieren, dient te worden beklemtoond dat een nationale rechterlijke instantie zich niet op dat beginsel kan beroepen om een nationale rechtsregel die in strijd is met het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd zoals dat concreet gestalte heeft gekregen in Richtlijn 2000/78, verder toe te passen. De toepassing van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen die de verwijzende rechterlijke instantie voor ogen staat, zou er immers in feite op neerkomen dat de gevolgen van de door het Hof gegeven uitlegging in de tijd worden beperkt, omdat daarmee die uitlegging niet van toepassing zou zijn in het hoofdgeding. Het is echter vaste rechtspraak dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid van het Unierecht geeft, de betekenis en de strekking van dat recht zoals het sinds de datum van inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast, zo nodig, verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat, behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarvan het bestaan in het onderhavige geval echter niet is aangevoerd, het aldus uitgelegde Unierecht door de rechter ook moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek tot uitlegging wordt beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat recht voor de bevoegde rechterlijke instanties kan worden gebracht (zie, met name, arrest Gmina Wrocław, C-276/14, ECLI:EU:C:2015:635, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij komt dat de bescherming van het gewettigd vertrouwen in elk geval niet kan worden ingeroepen om aan een particulier die de rechtsvordering heeft ingesteld die het Hof ertoe heeft gebracht het Unierecht aldus uit te leggen dat het in de weg staat aan de betrokken nationale regel, het voordeel van die uitlegging te weigeren (zie, in die zin, arresten Defrenne, 43/75, ECLI:EU:C:1976:56, punt 75, en Barber, C-262/88, ECLI:EU:C:1990:209, punten 44 en 45). Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2000/78 vallend geding tussen particulieren, bij de toepassing van de bepalingen van haar nationaal recht die bepalingen in overeenstemming met die richtlijn dient uit te leggen, of, wanneer een dergelijke richtlijnconforme uitlegging onmogelijk blijkt te zijn, elke met het algemene verbod van discriminatie op grond van leeftijd strijdige bepaling van dat nationale recht, zo nodig, buiten toepassing dient te laten. Aan deze verplichting kan niet worden afgedaan door het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en evenmin door het feit dat de particulier die meent schade te hebben geleden door de toepassing van een met het Unierecht strijdige nationale bepaling, de mogelijkheid heeft om de betrokken lidstaat aansprakelijk te stellen wegens schending van het Unierecht.