Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Rijndam Revalidatiecentrum/werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 april 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:3155

Stichting Rijndam Revalidatiecentrum/werkneemster

Ontbindingsverzoek (e-grond, g-grond en h-grond), naar aanleiding van de strafrechtelijke veroordeling van de echtgenoot van werkneemster, afgewezen.

Werkneemster is op 16 juli 2005 bij Stichting Rijndam Revalidatiecentrum (hierna: Rijndam) in dienst getreden in de functie van medewerker maaltijdvoorziening. De echtgenoot van werkneemster, werkzaam bij Rijndam als medewerker magazijn, is op 18 december 2012 op staande voet ontslagen. Bij vonnis van 2 december 2015 is de echtgenoot van werkneemster veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking. Naar aanleiding van een gesprek met werkneemster heeft Rijndam bij brief van 13 januari 2016 aangegeven dat het vertrouwen in werkneemster dusdanig ernstig is beschadigd dat Rijndam de arbeidsrelatie met haar wenst te beëindigen. In voornoemd gesprek zou werkneemster volgehouden hebben dat haar echtgenoot onschuldig is. Werkneemster is niet akkoord gegaan met de door Rijndam overgelegde beëindigingsovereenkomst. Rijndam verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op basis van de e-grond, de g-grond, dan wel de h-grond.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat werkneemster zich niet heeft gedistantieerd van het handelen van haar man, is de kantonrechter van oordeel dat in de gegeven omstandigheden dit nalaten niet kan worden aangemerkt als een nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onderdeel e BW. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat onvoldoende is gebleken dat het voor werkneemster duidelijk was dat Rijndam een dergelijke houding niet zou accepteren en dit tot ontslag zou kunnen leiden. Rijndam heeft in het kader van de g-grond aangevoerd dat sprake is van een vertrouwensbreuk en dat deze vertrouwensbreuk allereerst is ontstaan doordat de echtgenoot van werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en door de wijze waarop werkneemster hierop heeft gereageerd. Nu Rijndam destijds de arbeidsovereenkomst met werkneemster heeft voortgezet, kan echter in die periode van een vertrouwensbreuk geen sprake zijn. Ook kan niet geconcludeerd worden dat de arbeidsverhouding is verstoord na het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke veroordeling. Niet is gebleken dat werkneemster op enige wijze betrokken is geweest bij de handelingen waarvoor haar echtgenoot is veroordeeld. Het is naar het oordeel van de kantonrechter een stap te ver om na het enkele gesprek op 13 januari 2016, welk gesprek kennelijk tot doel had om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, de conclusie te trekken dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding. Van Rijndam had verwacht mogen worden dat zij, mede gelet op de persoon en functie van werkneemster, nogmaals met werkneemster in een voor haar veilige omgeving met professionele hulp, bijvoorbeeld mediation, in gesprek zou gaan om helder te krijgen hoe werkneemster in deze kwestie staat en voorts ook duidelijk te maken welke consequenties Rijndam daaraan verbindt. Het enkele feit dat de door Rijndam aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot ontbinding op de e-grond of de g-grond hebben kunnen leiden, heeft niet tot gevolg dat vervolgens sprake is van de in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onderdeel h BW bedoelde situatie. Rijndam heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die zelfstandig tot de slotsom kunnen leiden dat er sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.