Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 april 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:3198
werknemer/Coöperatieve Rabobank U.A.
Werknemer is op 1 september 1999 in dienst getreden bij de Coöperatieve Rabobank Emmen-Coevorden U.A., welke bank per 1 januari 2016 door fusie deel is gaan uitmaken van Coöperatieve Rabobank U.A. De laatste functie die werknemer vervulde, is die van Financieel adviseur B, met een salaris van € 3.851,17. Vanaf 1 april 2014 gelden bij de Rabobanken nieuwe integriteitsregels waarin staat dat alle nevenactiviteiten in het zogenaamde CAFE-systeem geregistreerd moeten worden en zo voorgelegd moeten worden aan de leidinggevende. Medewerkers hadden vanaf 1 april 2014 tot uiterlijk 1 juni 2014 de tijd om hun nevenfuncties te registreren. De zogenaamde Regeling Medewerkersintegriteit Lokale Banken (hierna: de Regeling) bevat regels over het voorkomen van (de schijn van) belangenconflicten in relatie tot nevenfuncties. Op 2 april 2014 heeft werknemer de vennootschappen Marconing Holding B.V. en TI Zorg B.V. opgericht. TI Zorg B.V. is opgericht om een PGB-geldstroom ten behoeve van zijn kinderen te kunnen ontvangen. Werknemer is bestuurder en enig aandeelhouder van Marconing Holding B.V. Op dezelfde dag is ook de vennootschap Fund Mediation B.V. opgericht. Marconing Holding B.V. houdt 25% van de aandelen in Fund Mediation B.V. en was tot 25 januari 2015 een van haar vier bestuurders. In de statuten van Fund Mediation B.V. staat dat zij onder andere als doelstelling heeft: ‘a. het bemiddelen bij financieringen en investeringen ondermeer door zogenaamd “crowd funding” alsmede het verstrekken van leningen aan midden en kleinbedrijf; (…).’ Het uittreksel van de Kamer van Koophandel vermeldt als activiteit: ‘hypotheek- en kredietbemiddeling, geldwisselkantoor, bank en spaaragentschap e.d.’ en ‘Het bemiddelen bij financieringen en investeringen onder meer door “crowd funding” alsmede het verstrekken van leningen aan het midden- en kleinbedrijf.’ Op 1 april 2014 heeft werknemer in CAFE zijn betrokkenheid bij TI Zorg B.V. geregistreerd. Werknemer heeft zijn betrokkenheid bij Fund Mediation B.V. niet gemeld. Op 9 september 2014 heeft de Rabobank werknemer een aanbod gedaan inzake de beëindiging van zijn dienstverband, onder toekenning van een vergoeding (op basis van een correctiefactor van 1,25) van € 75.603,21. werknemer is sindsdien vrijgesteld van zijn werkzaamheden. Daarna ontdekt Rabobank de betrokkenheid van werknemer bij Fund Mediation. Bij brief van de Rabobank van 7 november 2014 aan werknemer is het (nog niet door hem geaccepteerde) aanbod inzake beëindiging dienstverband ingetrokken in afwachting van de uitkomsten van een onderzoek dat zal plaatsvinden. Rabobank schrijft dat het kan zijn dat zij na afloop daarvan werknemer opnieuw hetzelfde aanbod doet maar dat de resultaten ook zodanig kunnen zijn dat zij op andere voorwaarden afscheid zal willen nemen. Nadat uit onderzoek bleek dat werknemer waarschijnlijk bewust geen melding heeft gemaakt van zijn BV, verzocht Rabobank ontbinding. De kantonrechter heeft bij de bestreden beschikking de arbeidsovereenkomst zowel op de e-grond als op de g-grond ontbonden per 1 januari 2016 voor zover Rabobank haar verzoek niet op 31 oktober 2015 heeft ingetrokken, en Rabobank bij ontbinding veroordeeld aan werknemer te betalen een transitievergoeding van € 28.374,54 bruto.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de vaststaande feiten volgt dat werknemer er in 2014 bewust voor heeft gekozen om zijn betrokkenheid bij Fund Mediation B.V., waarvan hij via zijn holding bestuurder was en 25% van de aandelen hield, in strijd met de Regeling niet te melden. Hij was van de Regeling, en het belang van Rabobank bij strikte naleving van die Regeling, op de hoogte en heeft desondanks ook nog op de vraag van de local compliance officer geantwoord dat er verder niets te melden was. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen mocht van werknemer, als financieel adviseur met een destijds vergevorderde studie Business Administration, ook verwacht worden dat hij zich bewust was van integriteitskwesties die (kunnen) spelen bij de oprichting van Fund Mediation B.V. Dit geldt temeer nu uit de statuten en de KvK-inschrijving van deze vennootschap blijkt dat zij zich activiteiten ten doel stelt, die (kunnen) concurreren met de Rabobank. Rabobank moet erop kunnen vertrouwen dat haar medewerkers zich houden aan haar duidelijk bekend gemaakte integriteitsregels. De kantonrechter heeft terecht ontbonden op de primair ingeroepen e-grond, waarbij ingevolge het eerste lid van artikel 7:669 BW geen onderzoek naar de mogelijkheden van herplaatsing nodig was. Bespreking van de overige aangevoerde ontbindingsgronden kan achterwege blijven.
Het hof stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van ernstige verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel c BW een hoge lat moet worden aangelegd, zoals dat ook geldt voor de ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever die aanleiding kan zijn voor de aanvullende billijke vergoeding van artikel 7:671 b lid 8 aanhef en onderdeel c BW. In de parlementaire geschiedenis zijn onder andere als voorbeeld genoemd: misdrijven waardoor de werknemer het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt en het herhaaldelijk en zonder gegronde reden niet naleven van controlevoorschriften bij ziekte, ook na toepassing van loonopschorting (memorie van toelichting op wetsontwerp 33818, nr. 3, p. 39-40). Hoewel het hof de gedragingen van werknemer zodanig verwijtbaar vindt dat ontbinding op de e-grond gerechtvaardigd is, zijn die gedragingen, mede gelet op de voorbeelden in de parlementaire geschiedenis, niet zodanig ernstig verwijtbaar dat werknemer daardoor geen recht heeft op de transitievergoeding.