Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting ORO/werknemer
Rechtbank Oost-Brabant, 4 mei 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:2258

Stichting ORO/werknemer

Ontbinding op basis van de ‘a-grond’ (vervallen arbeidsplaats) toegewezen. Geen passende functie beschikbaar. Werknemer heeft recht op transitievergoeding: geen sprake van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2 lid 5 Besluit overgangsrecht transitievergoeding. Wachtgeldregeling is niet van toepassing.

Werknemer is op 1 april 1988 in dienst getreden bij de Stichting. De Stichting levert zorg aan mensen met een verstandelijke beperking en kinderen met een ontwikkelingsachterstand. De laatste functie die werknemer bij de Stichting vervulde is die van chauffeur. De functie van werknemer is per 21 januari 2015 komen te vervallen. Het op 9 maart 2015 tussen de Stichting en de vakbonden overeengekomen sociaal plan is op werknemer van toepassing verklaard. Voorts heeft de Stichting bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend op grond van bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft de gevraagde toestemming geweigerd. Thans verzoekt de Stichting de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW, met een verklaring voor recht dat zij geen transitievergoeding aan werknemer verschuldigd is. Aan dit verzoek legt de Stichting ten grondslag dat een redelijke grond voor ontslag aanwezig is en herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is. De redelijke grond betreft het structureel vervallen van de arbeidsplaats van werknemer wegens organisatorische veranderingen ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering. Werknemer voert gemotiveerd verweer. Voor het geval de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden, verzoekt werknemer te verklaren voor recht dat de Stichting aan hem de volledige transitievergoeding verschuldigd is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat de door de Stichting in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding opleveren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Daartoe wordt overwogen als volgt. Voorop gesteld moet worden dat het in beginsel aan de (beleids)vrijheid van een ondernemer wordt gelaten om te bepalen op welke wijze en waar in de onderneming zal worden ingegrepen. De Stichting heeft uitgebreid uiteengezet waarom en op welke wijze zij het niet-geïndiceerde vervoer opnieuw heeft georganiseerd. De Stichting streeft naar het voorkomen van overbodige, extra vervoersbewegingen, door deze in te passen binnen de reguliere verplaatsingen van bijvoorbeeld medewerkers. Vast staat dat hierdoor de werkzaamheden van werknemer overbodig zijn geworden. De Stichting heeft daarbij overtuigend aangevoerd dat het werk van werknemer niet is vervangen door flexibele krachten. Dat werkzaamheden die voorheen werden gedaan door werknemer thans mede worden verricht door vrijwilligers is hiermee niet gelijk te stellen. Daarbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat er al een wisselwerking bestond tussen het werk van werknemer en het werk van vrijwilligers. Zo werkte werknemer 1,5 dag per week op de ‘Hommelbus’ en werd de bus op de andere dagen door vrijwilligers gereden. De kantonrechter is van oordeel dat de Stichting voldoende invulling heeft gegeven aan haar verplichting om te onderzoeken of werknemer in een andere passende functie, al dan niet na scholing, binnen redelijke termijn is te herplaatsen. De conclusie is dan ook dat de Stichting voldoende heeft aangetoond dat de arbeidsplaats van werknemer als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering is komen te vervallen en dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, zodat het verzoek wordt toegewezen. Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, is voldaan aan de voorwaarde om het verzoek van werknemer strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de Stichting aan hem de transitievergoeding is verschuldigd in behandeling te nemen. Op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en onderdeel a onder 2 BW is de werkgever aan de werknemer de transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze voorwaarden is voldaan. Voor het geval de werknemer op grond van een vóór 1 juli 2015 gemaakte individuele of collectieve contractuele afspraak recht heeft op een ontslagvergoeding of andere voorziening kan bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de werknemer gedurende een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden geheel of gedeeltelijk geen recht heeft op de transitievergoeding (art. XXII lid 7 overgangsrecht WWZ). Het Besluit overgangsrecht transitievergoeding van 23 april 2015 is de algemene maatregel van bestuur waarnaar in artikel XXII lid 7 van het overgangsrecht WWZ wordt verwezen. Gelet op de door de Stichting gemaakte collectieve afspraken, heeft werknemer in beginsel geen recht op de transitievergoeding (art. 2 lid 1 van het Besluit). In zoverre is door de Stichting terecht aangevoerd dat boventallige werknemers geen aanspraak kunnen maken op de transitievergoeding, nu het sociaal plan daarin niet voorziet. Aan de hand van het Addendum Sociaal Plan van december 2015 stelt de kantonrechter vast dat bij de verlenging van de geldigheidsduur van het sociaal plan alle gemaakte afspraken zijn verlengd, zodat de uitzonderingssituatie van artikel 2 lid 5 van het Besluit zich niet voordoet. Dit betekent dat niet langer sprake is van de situatie dat de afspraken uit het sociaal plan vóórgaan op het recht op de transitievergoeding. Aangezien de wachtgeldregeling volgens de CAO Gehandicaptenzorg 2016 per 1 januari 2016 is vervallen, en niet gebleken is van een overgangsregeling, valt niet in te zien op welke grond werknemer nog aanspraak kan maken op de wachtgeldregeling van de CAO Gehandicaptenzorg 2014-2015. Dit leidt tot het oordeel dat werknemer in aanmerking komt voor de transitievergoeding.