Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 10 mei 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:5102
werknemer/Zechstein Energy Storage B.V.
Werknemer is in dienst getreden van Zechstein Energy Storage B.V. (hierna: Zechstein). Op 18 januari 2016 heeft Zechstein bij het UWV een aanvraag gedaan voor een ontslagvergunning betreffende werknemer wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Het UWV heeft op 14 april 2016 toestemming verleend de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op 22 januari 2016 is werknemer op staande voet door Zechstein ontslagen op de grond dat werknemer bedrijfsgegevens op zijn privécomputer had staan, die hij daarvandaan aan een externe derde partij zou hebben doorgeleid. Op 22 maart 2016 is werknemer – nogmaals – op staande voet ontslagen op de grond dat hij zich ongeoorloofd toegang zou hebben verschaft tot de computersystemen van Zechstein. Werknemer verzoekt primair onder meer de twee gegeven opzeggingen te vernietigen. Zechstein verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer, voor zover vereist, te ontbinden wegens wanprestatie (art. 7:686 BW), althans wegens verwijtbaar handelen of nalaten zijdens werknemer (e-grond), dan wel wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk (g-grond).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft het verweer opgeworpen dat ondanks een rechtskeuze in de arbeidsovereenkomst voor Nederlands recht op grond van artikel 8 lid 1 van Rome I deze rechtskeuze er niet toe mag leiden dat een werknemer door de rechtskeuze de bescherming verliest die hij op grond van dwingende bepalingen op grond van een ander rechtssysteem geniet. Omdat werknemer in Duitsland woont en hij daar zijn premies voor sociale zekerheid heeft afgedragen zou hij zich derhalve op de (stringentere) Duitse bepalingen kunnen beroepen. De kantonrechter volgt werknemer hier niet in. De rangorde, die artikel 8 van Rome I aangeeft, is dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen (lid 3), indien niet kan worden vastgesteld in of van waaruit welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht (lid 2). Weliswaar kon werknemer vanuit huis werken, maar hij deed dat dan met een elektronische verbinding met het kantoor van Zechstein in Den Haag. De kantonrechter is van oordeel dat het op afstand (plaatsonafhankelijk) werken met een elektronische verbinding met het kantoor van zijn werkgever in Den Haag moet worden gelijkgesteld met het werken op dat kantoor en dat dit niet gezien kan worden als dat werknemer daarmee zijn werkzaamheden in Duitsland verrichtte. Nu hij in dienst is genomen door de vestiging van Zechstein in Den Haag, is Nederlands recht van toepassing op de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter is van oordeel dat de beoordeling van de vraag of de ontslagen op staande voet op goede gronden zijn gegeven niet los gezien kan worden van het feit dat Zechstein op 18 januari 2016 bij het UWV een ontslagvergunning voor werknemer heeft aangevraagd. Werknemer verneemt pas bij brief van het UWV dat voornoemde aanvraag is ingediend. Een onmiskenbaar gevolg is dat de belangen van partijen vanaf dat moment uit elkaar gingen lopen, waar deze tot die datum parallel liepen. Door geen open kaart te spelen over de feitelijke datum van het aanvragen van een ontslagvergunning bij het UWV, heeft Zechstein de onderlinge verhouding onnodig verscherpt. Nu specifieke informatie ontbreekt, voldoet het ontslag op staande voet van 22 januari 2016 naar het oordeel van de kantonrechter niet aan het vereiste van artikel 7:667 lid 1 BW, namelijk dat de mededeling van Zechstein aan werknemer van dien aard moet zijn dat het voor werknemer precies duidelijk was welke informatie hij aan welke met naam genoemde partij heeft gestuurd, zodat hij zijn standpunt ten aanzien van het op die grond gegeven ontslag kon bepalen. Het op 22 januari 2016 gegeven ontslag wordt dan ook vernietigd. De kantonrechter is van oordeel dat het tweede ontslag op staande voet uitsluitend beoordeeld moet worden op basis van nieuwe feiten, zonder een verbinding te leggen met eerdere feiten. In dat licht komt aan de orde de vraag of werknemer zich toegang heeft verschaft tot de computersystemen van Zechstein. Deze vraag kan echter buiten beschouwing blijven, omdat het op de weg van Zechstein ligt om de bedrijfsgegevens zodanig af te schermen dat ongeautoriseerde toegang tot die bestanden niet mogelijk is. Ook het op 16 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet kan derhalve geen stand houden en wordt vernietigd. Betreffende het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden voert Zechstein aan dat én sprake is van wanprestatie én van verwijtbaar handelen én van een verstoorde arbeidsverhouding én van een onherstelbare vertrouwensbreuk. Door haar verzoek op deze wijze in te kleden miskent Zechstein dat het een wezenlijk element is van de arbeidswetgeving, zoals die sinds 1 juli 2015 van kracht is, dat het aan de werkgever is een duidelijke keuze te maken tussen de verschillende gronden die op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel c tot en met h BW als redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen worden aangevoerd, en dat het vervolgens aan de werkgever is om aan te geven dat die grond in voldoende mate van toepassing is. Nu Zechstein aan dit wezenskenmerk van de huidige wetgeving voorbij gaat door niet een duidelijke keuze te maken voor een specifieke ontbindingsgrond en vervolgens ten aanzien van die gemaakte keuze in voldoende mate aan te tonen dat die van toepassing is, wordt het voorwaardelijke ontbindingsverzoek als onvoldoende onderbouwd afgewezen.