Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 24 mei 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:4416

werkgever/werknemer

Geschil over wel/geen ontslagname werknemer. Geen reden om voorwaardelijk ontbindingsverzoek aan te houden in afwachting van beantwoording prejudiciële vragen door Hoge Raad. Bewijslast werkgever.

Werknemer is op 1 december 2015 in dienst getreden bij werkgever in de functie van rijinstructeur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een jaar, tot 1 december 2016. Werkgever stelt in een brief van 1 februari 2016 dat werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Op 10 februari 2016 heeft werknemer zich beschikbaar gesteld voor arbeid. Werkgever verzoekt voorwaardelijke ontbinding, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel d en g BW. Werkgever verwijt werknemer onder meer het volgende: te hard en roekeloos rijden met de aan werknemer ter beschikking gestelde lesauto, het niet onderhouden en schade toebrengen aan die lesauto, onzorgvuldige administratie van afspraken, het onjuist omgaan met afspraken met klanten, het rijden van privéritten met de lesauto, het doen van negatieve uitlatingen over werkgever en te laat komen bij klanten. Het verweer van werknemer strekt primair tot afwijzing van het verzoek.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter te Enschede van 26 april 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:1507) gesteld dat er discussie is over de vraag of een arbeidsovereenkomst in het kader van de WWZ nog wel voorwaardelijk kan worden ontbonden, dat daarover prejudiciële vragen zijn gesteld door de kantonrechter te Enschede en dat de beslissing in deze zaak zou moet worden aangehouden tot die prejudiciële vragen zijn beantwoord. De kantonrechter ziet geen reden om de zaak aan te houden. De prejudiciële vragen die de kantonrechter te Enschede heeft gesteld, gaan over de vraag – kort weergegeven – of een werkgever nog kan worden ontvangen in een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding na een ontslag op staande voet, mede gelet op de omstandigheid dat uit artikel 7:683 BW volgt dat in hoger beroep een beschikking van de kantonrechter waarbij een oordeel is gegeven over een ontslag op staande voet, door het hof niet kan worden vernietigd. Echter, in dit geval gaat het niet om een ontslag op staande voet, maar om de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet door werknemer is opgezegd. Een oordeel daarover van de kantonrechter kan in hoger beroep door het hof worden vernietigd, omdat geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7:683 BW. In dat kader heeft werkgever ook voldoende belang – in de zin van artikel 3:303 BW – bij zijn voorwaardelijke verzoek tot ontbinding, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door de gestelde opzegging.

De arbeidsovereenkomst kan niet worden ontbonden wegens het gestelde verwijtbaar handelen van werknemer of de gestelde ongeschiktheid voor de functie. Werkgever heeft namelijk aangegeven dat werknemer een maand de tijd heeft om de in de verklaring van 30 januari 2016 genoemde punten te verbeteren. Wel is sprake van een verstoorde arbeidsrelatie, zodat de arbeidsovereenkomst op die grond wordt ontbonden (art. 7:669 lid 3 onderdeel g BW). De kantonrechter ziet geen reden om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, zonder rekening te houden met de opzegtermijn, zoals werkgever heeft verzocht. Er is geen grond om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Aan zijn verzoek om toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 9 BW, thans artikel 7:672 lid 10 BW, heeft werkgever ten grondslag gelegd dat werknemer door een directe opzegging van de arbeidsovereenkomst geen opzegtermijn in acht heeft genomen en daarom een vergoeding verschuldigd is. Het is aan werkgever om te bewijzen dat van een dergelijke ontslagname sprake is geweest (art. 150 Rv). Werkgever wordt overeenkomstig zijn aanbod toegelaten om te bewijzen dat werknemer op 1 februari 2016 de arbeidsovereenkomst per direct heeft opgezegd.