Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 mei 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:5600
werknemer/Tebodin Netherlands B.V.,
Werknemer is sinds 2001 in dienst. In januari 2012 is werknemer uitgevallen wegens ziekte. De arbeidsovereenkomst is in 2014 door een vaststellingsovereenkomst geëindigd. Vervolgens is met werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. Werkgever heeft werknemer bericht dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 januari 2016 is geëindigd. Werknemer vordert de arbeidsovereenkomst te herstellen en hij vordert wedertewerkstelling. Kern van het geschil tussen partijen is of artikel 7:667 lid 4 BW meebrengt dat voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opzegging vereist was.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aansluitend aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. Met instemming van beide partijen is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beëindigd en vervolgens voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In dit geval heeft bij de beëindiging van de eerste arbeidsovereenkomst geen opzegging plaatsgevonden en is mitsdien de daarmee samenhangende ontslagbescherming niet gerealiseerd. Evenmin is gebleken dat ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de ontslagbescherming aan de orde is geweest. Voor de bescherming die artikel 7:667 lid 4 BW een werknemer biedt is een voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Tussen partijen is in geschil of hiervan in dit geval sprake is. Uit de beide partijstandpunten over de beide functies volgt dat de opvolgende arbeidsovereenkomsten voor wat betreft aard en vaardigheden dusdanig in elkaars verlengde liggen dat deze moeten worden gekwalificeerd als ‘opvolgend’ in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW. De in het oog springende verschillen tussen beide functies: 21,5 uren per week minder werken, 80% van het loon, intern opereren in plaats van extern, zijn alle uitsluitend het gevolg van de beperkingen die werknemer heeft opgelopen bij zijn ziekte, en zijn, ook gezamenlijk beschouwd, onvoldoende om af te doen aan het opvolgend karakter van de verrichte arbeid. Naar het oordeel van de kantonrechter verdraagt een striktere uitleg van het begrip ‘opvolgende arbeidsovereenkomst’ zich in dit geval in redelijkheid niet met de door de wetgever beoogde ontslagbescherming op grond van artikel 7:667 lid 4 BW. Van de werkgever mag in dit concrete geval verlangd worden dat zij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd laat toetsen door het UWV of de kantonrechter. Dat het UWV de werknemer een WW-uitkering heeft toegekend maakt dat niet anders. Het voorgaande brengt mee dat voor rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst opzegging vereist is. Gelet op het door werkgever in deze procedure ingenomen standpunt dat dit niet het geval is en de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op het moment dat de overeengekomen tijd is verstreken, 31 december 2015, wordt de brief van werkgever niet als (poging tot) opzegging gekwalificeerd en begrijpt de kantonrechter dat deze brief ook niet als opzegging is bedoeld. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst, nu deze niet is opgezegd, niet is geëindigd. Werknemers verzoek de arbeidsovereenkomst te herstellen zal daarom worden afgewezen. Zijn verzoeken tot toelating tot zijn functie en betalingen van salaris met rente zijn toewijsbaar.