Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep, 27 mei 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:1956
appelanten/raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Appellanten waren in dienst van werkgever. Werkgever is op 22 oktober 2013 failliet verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten van appellanten op 23 oktober 2013 met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn opgezegd. Appellanten hebben het UWV op 29 oktober 2013 verzocht om overname van de betalingsverplichtingen van werkgever door hen in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering. Bij besluiten van 4 en 11 november 2013 en 19 december 2013 heeft het UWV de verzoeken van appellanten om overname van de betalingsverplichtingen van werkgever gedeeltelijk toegewezen. Het UWV heeft geweigerd over te nemen de verplichting van werkgever om loon, vakantiegeld en vakantiedagen aan appellanten uit te betalen over de periode van maximaal dertien weken voor de dag van de opzegging van de dienstbetrekking op 23 oktober 2013 (art. 64 lid 1 aanhef en onderdeel a ten 4e en onderdeel c WW). Als reden heeft het UWV hiervoor gegeven dat appellanten niet voldoende hebben gedaan om hun loon van werkgever betaald te krijgen en zodoende een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24 lid 5 van de WW hebben gepleegd. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken onder verwijzing naar vaste rechtspraak geoordeeld dat het UWV terecht heeft geweigerd om een deel van de betalingsverplichtingen van werkgever over te nemen. Appellanten hebben evenwel de vraag aan de orde gesteld of het UWV met deze weigering afbreuk doet aan het minimumbeschermingsniveau dat de Insolventierichtlijn aan werknemers biedt bij insolventie van hun werkgever. Geoordeeld wordt dat de Insolventierichtlijn van toepassing is (art. 1 lid 1 Insolventierichtlijn en HvJ EU 28 november 2013, C-309/12, ECLI:EU:C:2013:774). Het UWV heeft in de bestreden besluiten terecht, en in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van de Insolventierichtlijn, tot uitgangspunt genomen dat appellanten recht hebben op overname van de betalingsverplichtingen van werkgever. Het is vervolgens de vraag of het UWV terecht heeft geweigerd (een deel van) de betalingsverplichtingen van werkgever over te nemen, omdat appellanten noch voldoende tijdig, noch voldoende adequaat actie hebben ondernomen bij het aanspreken van werkgever voor betaling van achterstallige loonaanspraken. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Het UWV kan appellanten niet met een enkel beroep op (vaste rechtspraak van de Raad over) de aard en de strekking van de regeling in hoofdstuk IV van de WW als laatste redmiddel hun recht op een faillissementsuitkering ontzeggen. Hiermee geeft het UWV een onvoldoende duidelijke en nauwkeurige onderbouwing voor de weigering om genoemde betalingsverplichtingen over te nemen (zie ook CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027). Illustratief in dit verband zijn de verschillende invullingen, die het UWV tijdens deze procedure in het verlengde van deze rechtspraak heeft gegeven aan het criterium ‘voldoende voortvarend handelen’. Voor burgers zoals appellanten is het zo op voorhand onvoldoende kenbaar en daarmee onvoldoende duidelijk waar zij aan toe zijn. Het primaire standpunt van het UWV faalt reeds daarom.
De vraag is voorts of de Insolventierichtlijn ruimte biedt om een betalingsverplichting van een waarborgfonds bij wijze van maatregel op grond van de artikelen 24 en 27 van de WW te beperken. Op grond van artikel 12 aanhef en onderdeel a van de Insolventierichtlijn hebben lidstaten de bevoegdheid om maatregelen te treffen met het oog op het voorkomen van misbruik. Deze bevoegdheid dient, als uitzondering op de algemene regel, strikt te worden uitgelegd. Met een enkel niet voortvarend handelen is nog geen sprake van het kunstmatig scheppen van voorwaarden om een faillissementsuitkering te krijgen. Voor niet voortvarend handelen kunnen immers meerdere redenen zijn. Bovendien komt het in beginsel voor rekening en risico van werknemers als zij langere tijd om hen moverende redenen afzien van het in rechte vorderen van loonbetaling. Op grond van artikel 64 van de WW (en conform het bepaalde in art. 4 van de Insolventierichtlijn) is de overname van betalingsverplichtingen van een werkgever door het waarborgfonds immers in tijd beperkt en langere perioden van onvervulde loonaanspraken worden daardoor maar ten dele overgenomen. De door het UWV opgelegde maatregel is niet gericht op het voorkomen van misbruik, maar eerder op het voorkomen dan wel beperken van gebruik van het waarborgfonds. Voor het treffen van een dergelijke maatregel biedt artikel 12 van de Insolventierichtlijn geen ruimte. In een bevoegdheid om loonaanspraken op het waarborgfonds in omvang te beperken, voorziet artikel 4 van de Insolventierichtlijn immers al. Het UWV heeft ten onrechte geweigerd de betalingsverplichtingen van werkgever over te nemen en dient deze verplichtingen alsnog over te nemen.