Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting interconfessioneel onderwijs (voorheen Stichting Amarantis onderwijsgroep voor interconfessioneel onderwijs)
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 december 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:5390

werknemer/Stichting interconfessioneel onderwijs (voorheen Stichting Amarantis onderwijsgroep voor interconfessioneel onderwijs)

Oud-collegevoorzitter dient neveninkomsten met loon te verrekenen op grond van aanvullende overeenkomst.

Werknemer (geboren 1947) is vanaf 1 augustus 1980 bij (de rechtsvoorgangster) van de stichting, Stichting Amarantis (hierna: Amarantis), althans een van haar rechtsvoorgangers, in dienst geweest. Vanaf 1 augustus 1995 tot 1 augustus 2004 was werknemer voorzitter van het college van bestuur. De arbeidsovereenkomst is per 1 maart 2011 door opzegging door Amarantis bij brief van 16 augustus 2010 beëindigd. Werknemer heeft beroep ingesteld tegen zijn ontslag bij de Commissie van Beroep voor het confessioneel middelbaar beroepsonderwijs (BVE). Deze commissie heeft het beroep van werknemer bij beslissing van 14 januari 2011 ongegrond verklaard. Amarantis heeft vanaf oktober 2010 (een deel van) het loon van de werknemer niet uitbetaald. Werknemer heeft in dit geding een loonvordering, met nevenvorderingen, ingesteld en gevorderd, samengevat, voor recht te verklaren dat een volgens hem door (de rechtsvoorgangster van) Amarantis aan hem gedane pensioentoezegging zal worden nagekomen. Amarantis heeft in eerste aanleg het verweer gevoerd dat zij de betaling van het loon mocht opschorten aangezien werknemer als voorzitter en lid van het college van bestuur maar ook na zijn terugtreden als zodanig, zich verplicht had eventuele nevenfuncties en/of nevenwerkzaamheden aan haar te melden en eventuele neveninkomsten die zouden uitstijgen boven het afgesproken ‘referentie-inkomen’ terug te betalen. In reconventie vorderde Amarantis werknemer te veroordelen op straffe van een dwangsom inzicht te verschaffen in zijn nevenwerkzaamheden en de daarmee gegenereerde neveninkomsten in de periode van 1 augustus 2004 (datum van aftreden als voorzitter en lid van het college van bestuur) tot 1 maart 2011 (datum einde dienstverband) en vorderde zij voor recht te verklaren dat zij de door werknemer in die periode gegenereerde neveninkomsten kan verrekenen met het teveel door haar aan hem betaalde loon. De kantonrechter heeft het verweer van Amarantis in conventie gegrond geacht en de vordering van werknemer tot betaling van loon daarom afgewezen. Hij overwoog daartoe dat het in de gegeven omstandigheden niet redelijk zou zijn het beroep van Amarantis op verrekening niet te honoreren om reden dat het niet mogelijk was de omvang van haar tegenvordering exact vast te stellen. Dat geen inzicht kon worden verkregen in het bedrag dat voor verrekening in aanmerking komt, werd immers juist bemoeilijkt door de gedragingen van werknemer, die geen inzicht in zijn nevenwerkzaamheden en neveninkomsten verstrekte. De vordering van werknemer met betrekking tot de pensioentoezegging heeft de kantonrechter op inhoudelijke gronden afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter werknemer veroordeeld tot verstrekken van een compleet overzicht van al zijn nevenfuncties en nevenwerkzaamheden en van alle inkomsten die hij daarmee heeft gegenereerd en voor recht verklaard dat Amarantis de door werknemer gegenereerde neveninkomsten kan verrekenen met het over de periode vanaf oktober 2010 niet aan hem uitgekeerde loon.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof acht het ook op zichzelf niet vreemd dat zijn werkgever er belang aan hechtte dat hij ook in de periode dat hij als adviseur zou optreden, zijn (inkomsten uit) nevenwerkzaamheden beperkt zou houden, en niet alleen als hij met (vroeg)pensioen zou gaan. Tegenover de vrijstelling van zijn verplichtingen om verder direct voor haar werkzaam te zijn, stond het recht van werknemer op doorbetaling van zijn oude salaris. Klaarblijkelijk heeft de werkgever hierin aanleiding gevonden te bedingen dat werknemer eventuele neveninkomsten boven het genoemde referentie-inkomen zou afdragen. Die ‘ratio’ geldt niet alleen in het geval werknemer met vroegpensioen zou gaan, maar heeft ook betekenis voor de situatie dat werknemer als adviseur zou blijven werken. Terecht heeft de kantonrechter overwogen dat een enkel stilzitten van Amarantis op dit punt geen afstand van recht oplevert, te minder nu de Regeling 2004 en de daarna tussen partijen gesloten overeenkomsten een verplichting tot het verstrekken van bedoelde informatie kennen. Ook heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de omstandigheid dat de leden van het college van bestuur van de activiteiten van werknemer op de hoogte waren, hem niet van zijn verplichting ontsloeg om een volledig overzicht van zijn werkzaamheden aan Amarantis te verschaffen. Afgezien van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente bedraagt de loonvordering van werknemer € 68.890,78 bruto en € 12.210,32 netto. Zonder de door werknemer gestelde btw-component waarmee naar werknemer terecht aanvoert geen rekening behoort te worden gehouden, is het totaalbedrag aan neveninkomsten van werknemer € 187.672 bruto (het onder 3.2 genoemde bedrag van € 223.329,25 bruto te verminderen met 19% btw). Door werknemer is aangevoerd dat hij over het door hem ontvangen bedrag aan neveninkomsten inkomstenbelasting heeft betaald en het niet redelijk zou zijn als hij zowel belasting aan de fiscus als het brutobedrag aan Amarantis moet voldoen. Een beroep hierop slaagt niet reeds omdat werknemer het aan zichzelf heeft te wijten dat deze situatie is ontstaan. Overigens geldt dat, zelfs indien er met werknemer van zou worden uitgegaan dat hij slechts het nettobedrag van zijn neveninkomsten aan de stichting verschuldigd is, zijn vordering ter zake van achterstallig loon c.a. door verrekening teniet is gegaan, aangezien eerstbedoeld bedrag het bedrag van het loon overtreft. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat werknemer aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging of de wettelijke rente, aangezien de stichting zich terecht op opschorting heeft beroepen.