Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 mei 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:2587
werkgeefster/werknemer
Werknemer is van 9 april 2001 tot 1 november 2015 in dienst geweest bij werkgeefster, eerst voor bepaalde tijd en vanaf 8 april 2002 voor onbepaalde tijd. De functie van werknemer bij indiensttreding was DTP’er. Vanaf 2013 was werknemer werkzaam als Printoperator. In de arbeidsovereenkomst van 9 april 2001 is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Het dienstverband tussen werkgeefster en werknemer is geëindigd bij brief van 17 augustus 2015 (ontslagvergunning UWV wegens bedrijfseconomische redenen). Op 1 januari heeft werknemer de firma V.O.F. (hierna: VOF) opgericht. Werkgeefster en VOF verrichten gelijksoortige werkzaamheden op het gebied van print- en drukwerk. Werkgeefster stelt dat werknemer in strijd handelt met het concurrentie- en relatiebeding. Thans vordert werkgeefster dat werknemer zijn werkzaamheden onder de naam ‘VOF’ staakt. Werknemer voert gemotiveerd verweer. In reconventie vordert werknemer € 2.081,20 netto ter zake van een niet toegekend outplacementtraject, schorsing van het concurrentie- en relatiebeding en/of matiging van dwangsommen en betaling van een vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer betwist op zichzelf niet dat het betreffende concurrentie- en relatiebeding in 2001 rechtsgeldig is overeengekomen ex artikel 7:653 lid 1 (oud) BW. Hij stelt zich echter primair op het standpunt dat dit beding naderhand zijn werking heeft verloren omdat het beding destijds is opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke vervolgens is voortgezet voor onbepaalde tijd, alsmede dat de functiewijziging in 2013 dermate ingrijpend van aard was, dat het concurrentiebeding daardoor zwaarder is gaan drukken. De vraag of het schriftelijkheidsvereiste met zich brengt dat het concurrentiebeding zijn gelding in 2002 heeft verloren door de stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Gesteld noch gebleken is dat in 2002 bij de voortzetting sprake is geweest van een zodanige wijziging van de essentialia van de arbeidsovereenkomst dat deze als nieuwe overeenkomst moest worden aangemerkt. Dit maakt dat de eerder (schriftelijk) overeengekomen voorwaarden, waaronder het concurrentie- en relatiebeding, van toepassing zijn gebleven. Werknemer heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze functiewijziging als ingrijpend en niet voorzienbaar moet worden gekwalificeerd. Uit de overgelegde stukken van de UWV-procedure blijkt weliswaar dat het UWV de functies van DTP’er en Printoperator als niet onderling uitwisselbaar heeft aangemerkt, maar dit rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de functiewijziging ingrijpend en/of onvoorzienbaar is geweest. Dit maakt dat het concurrentie- en relatiebeding zijn werking niet heeft verloren. Verder voert werknemer aan dat hij door het concurrentie- en relatiebeding onbillijk wordt benadeeld. Dat VOF een directe concurrent is van werkgeefster is voldoende aannemelijk. Werkgeefster en VOF verrichten immers gelijksoortige werkzaamheden op het gebied van print- en drukwerk en onvoldoende aannemelijk is dat VOF een andere markt (regio) bedient dan die van werkgeefster. Tevens is voldoende aannemelijk dat werknemer op dit gebied over concurrentiegevoelige informatie beschikt. Tegenover dit belang van werkgeefster staat het belang van werknemer om de werkzaamheden van VOF vanuit Bunschoten te kunnen blijven verrichten. Dit belang weegt niet op tegen het belang van werkgeefster. Het concurrentie- en relatiebeding laat werknemer bovendien voldoende ruimte om op een andere wijze dan als ondernemer met een gelijksoortig bedrijf als dat van werkgeefster vanuit Bunschoten werkzaam te zijn. Dit maakt dat niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat werknemer door het concurrentie- en relatiebeding onbillijk wordt benadeeld. Dat werknemer er naar zijn zeggen van uit is gegaan dat het concurrentiebeding was vervallen en dat hij zonder voorafgaand overleg met werkgeefster een onderneming is gestart, komt dan ook voor zijn rekening en risico. De vordering van werkgeefster wordt toegewezen voor zover het de werkzaamheden van VOF binnen een straal van 10 kilometer met Bunschoten als middelpunt betreft. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.