Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 14 juni 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:3188
werknemer/Arriva Personenvervoer Nederland B.V.
Werknemer is met ingang van 18 juli 2006 bij Arriva Personenvervoer in dienst getreden in de functie van buschauffeur. Tijdens carnaval werd er bij Arriva met een afwijkende dienstregeling en (extra) nachtritten gereden, waarvoor werknemer was ingedeeld. Op donderdag 11 februari 2016 is werknemer door Arriva van de bus gehaald voor een gesprek met de exploitatiemanager. Tijdens dit gesprek is werknemer op staande voet ontslagen. Bij brief van 12 februari 2016 is het ontslag op staande voet aan werknemer bevestigd. Arriva vermeldt als dringende reden dat werknemer tijdens het uitvoeren van zijn dienst geld heeft ontvangen van passagiers zonder aan hen vervoersbewijzen te verstrekken, ondanks het feit dat daar uitdrukkelijk om werd verzocht. Werknemer stelt dat hij tijdens het carnaval soms passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje, maar dat hij dit enkel heeft gedaan omdat hij geen (enkelereis)kaartjes meer had. Thans verzoekt werknemer het ontslag op staande voet te vernietigen. Arriva voert gemotiveerd verweer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak om de vraag of het door Arriva aan werknemer gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het standpunt van werknemer dat de opzegging niet onverwijld is gedaan kan niet worden aanvaard. Arriva diende gelegenheid te hebben om een onderzoek in te stellen. De klachten die Arriva had ontvangen van passagiers over het wel innen van gelden maar het daartegenover niet verstrekken van vervoersbewijzen en het gratis laten reizen van passagiers dateren van 7 en 8 februari 2016. Vervolgens is binnen de organisatie van Arriva uitgezocht welke buschauffeur de betreffende ritten had gereden, waaruit bleek dat het werknemer betrof. Dat er enige tijd is verstreken met het uitlezen van de camerabeelden door een daartoe bevoegd persoon, is niet onbegrijpelijk, omdat Arriva zorgvuldig diende te handelen. Voorts stelt werknemer zich op het standpunt dat Arriva, nu het gaat om diefstal, een strafrechtelijke delictsomschrijving, de daarvoor vereiste strafrechtelijke opzet/schuld dient te bewijzen. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. Het hanteren van een strafrechtelijk begrip in de ontslagbrief brengt niet met zich dat de werkgever de strafrechtelijk vereiste opzet c.q. schuld dan wel de bestanddelen van de strafrechtelijke delictomschrijving dient te bewijzen. Vereist is slechts dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke (dringende) reden tot de opzegging heeft geleid, derhalve welke feiten en gedragingen aan het ontslag ten grondslag liggen. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Als dringende reden voor ontslag op staande voet heeft Arriva aangevoerd dat werknemer passagiers heeft vervoerd tegen betaling zonder afgifte van een kaartje. Ter zitting heeft Arriva nader aangevuld dat zij tevens verwijt dat werknemer het consignatiesurplus dat daardoor moet zijn ontstaan, niet heeft afgedragen. Deze uitbreiding van de gronden van het ontslag op staande voet, zulks drie-en-een-halve maand na dit ontslag en zonder dat dit eerder door Arriva aan werknemer is verweten of zelfs maar met hem is besproken, kan niet worden aanvaard. Wat overblijft is dan het verwijt dat werknemer passagiers heeft vervoerd tegen betaling maar zonder afgifte van een kaartje. Het verwijt kan niet los worden gezien van de door werknemer geschetste en door Arriva niet, althans onvoldoende weersproken, werkomstandigheden tijdens carnaval. Bovendien kan het verwijt van het niet verstrekken van een kaartje aan betalende passagiers niet gelijk worden gesteld aan diefstal. Gegeven het door Arriva gehanteerde uitgangspunt dat het de taak is van de chauffeur om te zorgen voor kaartjes en wisselgeld, had het op de weg gelegen van Arriva om de chauffeur daartoe ook in staat te stellen. Gesteld noch gebleken is dat werknemer eerder dan het carnavalsweekend aan betalende passagiers geen kaartjes heeft verstrekt, zodat ook niet kan worden gezegd dat hij een gewaarschuwd man was die had moeten weten of begrijpen dat dit voorval ontslag op staande voet tot gevolg zou hebben. Slotsom is dat er geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in de wet. Het ontslag op staande voet moet daarom worden vernietigd.