Rechtspraak
Rockwool B.V./werknemer
Werknemer is op 1 oktober 2006 bij Rockwool B.V. (hierna: Rockwool) in dienst getreden. Laatstelijk vervulde werknemer de functie van warehousemedewerker. Op 2 maart 2016 heeft Rockwool in het magazijn waar werknemer werkzaam was een voorraadcontrole uitgevoerd. Bij die controle is gebleken dat in de periode van 8 december 2015 tot 2 maart 2016 in totaal 89 motoren uit het magazijn waren verdwenen. Op 12 maart 2016 is door middel van camera’s in het magazijn, geplaatst door een recherchebureau, geregistreerd dat twee auto’s het magazijn zijn binnengereden en dat een van de auto’s werd bestuurd door werknemer. De inmiddels gewaarschuwde politie heeft een van de auto’s staande gehouden en de andere auto, die van werknemer bleek te zijn, aangetroffen op een parkeerplaats van het retailpark. Werknemer is verzocht naar de auto te komen, waarna hij door de politie is aangehouden. In de kofferbak van de auto van werknemer bevonden zich twee motoren afkomstig uit het magazijn van Rockwool. Bij brief van 14 maart 2016 is werknemer op staande voet ontslagen. Rockwool verzoekt thans veroordeling van werknemer tot betaling van onder meer een bedrag ter zake van gefixeerde schadevergoeding, een bedrag ter zake van schade voor het verlies van de motoren, een bedrag ter zake van de kosten van het recherchebureau en een bedrag ter zake van de kosten van beveiliging.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat werknemer op 12 maart 2016 twee motoren uit het magazijn van Rockwool heeft meegenomen zonder een daaraan voorafgaande opdracht of verleende toestemming van Rockwool. Vast staat dat werknemer heeft berust in het hem aangezegde ontslag op staande voet, althans binnen de daarvoor bestemde termijn geen verzoek tot vernietiging van dat ontslag heeft ingediend. Dat maakt dat de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst onaantastbaar is geworden. Uit het vorenstaande volgt dat werknemer door zijn schuld aan Rockwool een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Dat betekent dat werknemer aan Rockwool een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is. Met een beroep op artikel 7:686a lid 3 BW verzoekt Rockwool om werknemer te veroordelen tot betaling van een bedrag ter zake van schade voor het verlies van de motoren. Anders dan Rockwool is de kantonrechter van oordeel dat deze vordering niet kan worden aangemerkt als een vordering verband houdende met het einde of het herstel van het dienstverband zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. Het betreft immers een vordering tot schadevergoeding verband houdende met de verdwijning van een aantal motoren gebaseerd op artikel 7:661 jo. artikel 6:162 BW die geheel los van de beëindiging van het dienstverband staat. Het enkele gegeven dat de verdwijning van de motoren de reden is geweest van die beëindiging maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de vordering tot schadevergoeding daarmee (voldoende) verband houdt. Rockwool wordt in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verzoeken tot betaling van de kosten van het recherchebureau en de kosten van de beveiliging zullen worden afgewezen. In het kader van deze procedure kan niet worden vastgesteld dat werknemer zich schuldig of mede schuldig zou hebben gemaakt aan de verdwijning van 89 motoren uit het magazijn van Rockwool in de periode van 8 december 2015 tot 2 maart 2016, terwijl de verdwijning van die motoren de aanleiding was voor het instellen van een onderzoek door het recherchebureau.