Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28 juni 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:1749

werknemer/werkgever

Concurrentiebeding. De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening moet, nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn kortgedingvonnis afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis.

Tussen partijen heeft tot 1 juni 2015 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bestaan. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 juni 2015 van rechtswege geëindigd. Werkneemster heeft haar salaris over de maand mei en haar vakantietoeslag over de periode vanaf 1 juni 2014 tot 1 juni 2015 niet ontvangen. Werkneemster vordert dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling van genoemd salaris en vakantietoeslag. Werkgever vordert in reconventie betaling van € 2.500 als voorschot op de door werkgever door toedoen van werkneemster geleden schade. Deze schade houdt verband met een gestelde overtreding door werkneemster van het tussen partijen bestaande concurrentiebeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster toegewezen en die van werkgever afgewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep. Over de gestelde overtreding van het concurrentiebeding loopt ook een bodemprocedure. Bij vonnis van 28 januari 2016 zijn de vorderingen van werkgever met betrekking tot het concurrentiebeding afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. In geschil is of werkneemster relaties van werkgever heeft benaderd om deze met haar eigen salon te bedienen. Voorop wordt gesteld dat als de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen in beginsel zijn kortgedingvonnis moet afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis, ongeacht of dit een tussenvonnis of een eindvonnis is, en ongeacht of de beslissingen in de overwegingen of in het dictum van het bodemvonnis staan. Niet relevant is of het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft; als een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld mag de kortgedingrechter de kans van slagen van het rechtsmiddel niet bij zijn voorlopige oordeel betrekken. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden aanvaard als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015). In het vonnis in de bodemprocedure is inmiddels geoordeeld – samengevat – dat er geen sprake is van een overtreding van het concurrentiebeding door werkneemster en dat zij geen boetes is verschuldigd aan werkgever. Daarbij zijn de stellingen van werkgever, zoals ook in dit kort geding aan de orde, afgewezen. Werkgever heeft niet gesteld dat die uitspraak op een kennelijke misslag berust en evenmin dat de zaak zodanig spoedeisend is dat het tegen dat vonnis ingestelde appel niet kan worden afgewacht, of dat sprake is van veranderde omstandigheden. Reeds op deze grond stranden de vorderingen van werkgever in dit kort geding. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen nu voor bewijslevering door middel van getuigen in dit kort geding geen plaats is.