Naar boven ↑

Rechtspraak

Alicja Sobczyszyn/Szkoła Podstawowa w Rzeplinie
Hof van Justitie van de Europese Unie, 30 juni 2016
ECLI:EU:C:2016:502

Alicja Sobczyszyn/Szkoła Podstawowa w Rzeplinie

Werknemer behoudt recht op vakantieverlof indien hij wegens ziekte tijdens de vooraf bepaalde schoolvakanties niet in staat is te recupereren van werk.

Sobczyszyn is lerares aan de onderwijsinstelling Szkoła Podstawowa w Rzeplinie (basisschool te Rzeplin). Op 27 april 2012 verzocht Sobczyszyn haar werkgever haar de in 2011 opgebouwde vakantiedagen toe te kennen die zij wegens haar verlof tot herstel van de gezondheid niet had kunnen opnemen. Dit werd geweigerd omdat in de vakantieplanning voor 2011 was vastgelegd dat zij vakantie zou nemen van 1 tot en met 31 juli 2011, zodat haar aanspraak op vakantiedagen voor 2011 was opgegaan in het verlof tot herstel van de gezondheid dat zij toen genoot. De verwijzende rechter, tot wie Sobczyszyn zich heeft gewend, vraagt zich af of de nationale bepalingen met betrekking tot het recht op jaarlijkse vakantie van onderwijzend personeel zich verdragen met artikel 7 van Richtlijn 2003/88. Volgens deze rechter heeft het Hof nog niet de gelegenheid gehad om zich uit te laten over de uitlegging van die Unierechtelijke bepaling in een geval waarin jaarlijkse vakantie samenvalt met verlof tot herstel van de gezondheid als bedoeld naar Pools recht.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of handelwijze als in het hoofdgeding, waarbij aan een werknemer die tijdens de jaarlijkse vakantie die is vastgelegd in de vakantieplanning van de organisatie waar hij werkt, met verlof tot herstel van de gezondheid is, welk verlof overeenkomstig het nationale recht is verleend, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie op een later tijdstip op te nemen. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is om de werknemer in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken (zie arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, ECLI:EU:C:2009:18, punt 25). Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat bij het samenvallen van jaarlijkse vakantie en ziekteverlof artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vervalt aan het einde van de referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en dus niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit recht gebruik te maken (zie met name arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, ECLI:EU:C:2009:18, punt 49, en 10 september 2009, Vicente Pereda, C-277/08, ECLI:EU:C:2009:542, punt 19). In het licht van die uiteenlopende doelen van de twee soorten verlof is het Hof tot het oordeel gekomen dat een werknemer die met ziekteverlof is tijdens een van tevoren vastgestelde jaarlijkse vakantieperiode, het recht heeft om, op zijn verzoek en teneinde daadwerkelijk van zijn recht op jaarlijkse vakantie gebruik te kunnen maken, deze vakantie op te nemen in een andere periode dan die welke samenvalt met de periode van ziekteverlof (zie arresten van 10 september 2009, Vicente Pereda, C-277/08, ECLI:EU:C:2009:542, punt 22, en 21 juni 2012, ANGED, C-78/11, ECLI:EU:C:2012:372, punt 20). Als de verwijzende rechter tot het oordeel komt dat de beoogde doelen verschillen, moet de nationale regeling voorzien in de verplichting voor de werkgever om de betrokken werknemer een andere, door die werknemer voorgestelde periode van jaarlijkse vakantie toe te kennen, die in voorkomend geval verenigbaar is met dwingende redenen die samenhangen met de belangen van de werkgever, zonder bij voorbaat uit te sluiten dat die periode buiten de referentieperiode voor de jaarlijkse vakantie in kwestie ligt (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Vicente Pereda, C-277/08, ECLI:EU:C:2009:542, punten 22 en 23). Volgens de rechtspraak van het Hof doet het positieve effect van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zich immers weliswaar ten volle gevoelen wanneer deze vakantie in het daartoe voorziene jaar, te weten het lopende jaar, wordt genomen, maar boet deze rusttijd niet aan belang in wanneer hij in een volgende periode wordt genomen (zie arresten van 6 april 2006, Federatie Nederlandse Vakbeweging, C-124/05, ECLI:EU:C:2006:244, punt 30, en 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, ECLI:EU:C:2009:18, punt 30). Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of handelwijze als in het hoofdgeding, waarbij aan een werknemer die tijdens de jaarlijkse vakantie die is vastgelegd in de vakantieplanning van de organisatie waar hij werkt, met verlof tot herstel van de gezondheid is, welk verlof overeenkomstig het nationale recht is verleend, na afloop van dat verlof kan worden geweigerd om zijn betaalde jaarlijkse vakantie op een later tijdstip op te nemen, mits het doel van het recht op verlof tot herstel van de gezondheid verschilt van dat van het recht op jaarlijkse vakantie, hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat.