Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 juni 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:3200
werknemer/werkgeefster
Vervolg AR 2016-0299. Naar aanleiding van de stelling van werknemer dat toepassing van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding (hierna: het Besluit) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in zijn geval onaanvaardbaar is, omdat de eventuele aanvulling op de WW-uitkering slechts een fractie bedraagt van de transitievergoeding, is hij in de gelegenheid gesteld op zijn minst aan te tonen dat de uitkering zo laag is als hij stelt (€ 397 bruto in totaal).
De kantonrechter oordeelt als volgt. De cao is op grond van incorporatie tussen partijen van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat werkgeefster bij onverkorte toepassing van het Besluit geen transitievergoeding aan werknemer verschuldigd is, omdat sprake is van een vergoeding of voorziening op grond van een cao. Op grond van artikel 6:2 BW, op welke bepaling werknemer zich kennelijk beroept, is een krachtens de wet geldende regel niet tussen partijen van toepassing voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hierbij dient echter de nodige terughoudendheid te worden betracht. De enkele omstandigheid dat de vergoeding in dit concrete geval (veel) lager uitvalt dan de transitievergoeding is onvoldoende om deze onaanvaardbaarheid aan te nemen. Werkgeefster stelt terecht dat een dergelijke uitkomst bij het vaststellen van het Besluit op de koop toe is genomen (voetnoot 2 bij de nota van toelichting bij het Besluit (p. 5)). Werkgeefster heeft zich er terecht op beroepen dat werknemer in het voorkomende geval op nog andere voorzieningen dan aanvulling van zijn WW-uitkering aanspraak had kunnen maken. Deze omstandigheid dient bij de beoordeling te worden betrokken. Volgt afwijzing van de vordering van werknemer.