Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Transport & Overslagbedrijf Kraan B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 juli 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:5448

werkneemster/Transport & Overslagbedrijf Kraan B.V.

Rechter treedt buiten zijn bevoegdheid door de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, na afwijzing vernietigingsverzoek werkneemster. Ontslag op staande voet rechtsgeldig verleend doordat werkneemster vennootschapsbelang ondergeschikt maakt aan privébelang (uitbetaling van facturen aan haar echtgenoot).

Werkneemster is in 2004 in dienst getreden van Kraan. Haar echtgenoot was hiervan enig bestuurder. Op enig moment is werkneemster financieel directeur van Kraan geworden. In 2008 is Kraan opgegaan in het Meijbon-concern. In 2015 is de echtgenoot (althans de BV) als bestuurder ontslagen door de AVA. Kort daarna is werkneemster op staande voet ontslagen, omdat er diverse onregelmatigheden in de administratie van Kraan zijn aangetroffen, waaronder betalingen aan haarzelf en de BV van haar echtgenoot. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster tot vernietiging van de opzegging afgewezen. Het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van werkgever op de e-grond heeft de kantonrechter toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft partijen voorgehouden dat het hof in een eerdere beschikking (van 22 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3215 onder randnr. 5.20 en 5.21) heeft overwogen dat, als de kantonrechter heeft geoordeeld dat de opzegging niet vernietigd wordt, daarmee vaststaat dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag is geëindigd. Bij gebreke van een bestaande arbeidsovereenkomst kan de kantonrechter dan vervolgens ook niets meer ontbinden. Ook kan de kantonrechter niet op voorhand tot ontbinding overgaan van een nieuwe, nog te sluiten arbeidsovereenkomst wanneer het hof de werkgever zou veroordelen tot herstel.

Het hof is van oordeel dat werkneemster als financieel directeur ook behoorde te letten op het vennootschapsbelang. Zij kan zich niet verschuilen achter het bestuursbesluit van haar echtgenoot, nu zij als financieel directeur ook voor de andere vennootschappen in de groep werkzaam was. Bovendien was werkneemster op de hoogte van de onmin tussen haar echtgenoot als minderheidsaandeelhouder in Meijbon Vastgoed en de twee andere aandeelhouders. Zij was immers aanwezig bij de AVA op 3 juni 2015 waarin haar echtgenoot als statutair directeur werd ontslagen. Overigens heeft werkneemster aan het slot van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nog verklaard dat zij de brief van 29 april 2015 kende waaruit bleek dat aan de samenwerking tussen de aandeelhouders een einde ging komen. Alleen al om haar bekendheid met de onmin tussen de bestuurders/aandeelhouders had zij extra alert moeten zijn op tegenstrijdige belangen toen zij gevolg gaf aan het niet alledaagse besluit van haar echtgenoot tot uitkering van liefst 70 vakantiedagen aan zichzelf, op een moment waarop zijn dienstverband bij Kraan nog niet was beëindigd. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor bewezen geachte verwijten afdoende dat werkneemster het in haar te stellen vertrouwen als financieel directeur, en als enige binnen de groep die bevoegd was betalingen te verrichten, ernstig heeft beschaamd. Zij heeft onvoldoende voorrang gegeven aan het vennootschapsbelang boven het privébelang van haar echtgenoot, welbewust kosten van de holding van haar echtgenoot laten betalen door een vennootschap waarin haar echtgenoot via zijn holding een minderheidsbelang heeft en besteding van kasgeld niet deugdelijk verantwoord, waarmee ten minste de schijn van onregelmatigheden wordt gewekt. Deze verwijten vormen voldoende dringende reden voor ontslag op staande voet. Daaraan doet niet af dat Kraan eerder geen reden heeft gezien om aan de juiste taakuitoefening door werkneemster te twijfelen. Persoonlijke omstandigheden die in dit geval in de weg zouden moeten staan aan ontslag op staande voet zijn gesteld noch gebleken.