Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 juli 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2831
Balkania/werknemer
Werknemer verricht sedert september 2014 werkzaamheden voor werkgeefster, Balkania. In de periode daarvoor bestond tussen hen een samenwerking in de vorm van een VOF, maar daar is werknemer uitgestapt. Werknemer is op 27 februari op staande voet ontslagen, omdat hij werkgeefster zou hebben geslagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkgeefster onvoldoende is geslaagd in het bewijs van de dringende reden.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof overweegt, voor zover relevant, dat alle omstandigheden van deze zaak in onderling verband en samenhang bezien, waaronder mede begrepen de leeftijd van werknemer (20 jaar ten tijde van het ontslag) en de aard van het dienstverband (een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 12 maanden, ingegaan op 1 september 2014 en voorafgegaan door een ‘contract vennootschap onder firma’ van 15 november 2013 en in welk verband werknemer € 40.000 heeft geleend aan werkgeefster), voorshands niet met zich brengen dat het van werkgeefster redelijkerwijs niet kon worden gevergd het dienstverband tussen haar en werknemer te laten voortduren ondanks het voorval op 26 februari 2015. Voor zover werkgeefster minder vertrouwen in werknemer had, zoals zij blijkens het vonnis waarvan beroep in eerste aanleg ter zitting nog heeft gesteld, had zij eventueel andere maatregelen kunnen nemen. Voorshands is derhalve voldoende waarschijnlijk dat de vorderingen van werknemer in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Het hof stelt voorop dat werknemer op grond van het voorgaande in beginsel recht heeft op doorbetaling van zijn loon vanaf 27 februari 2015, tegen de hoogte waarvan geen grief is gericht, behoudens eventuele matiging op grond van artikel 7:680a BW. Werknemer heeft zijn werkzaamheden vanaf 27 februari 2015 niet verricht omdat hij door werkgeefster op staande voet is ontslagen. Hij heeft zich vervolgens beschikbaar gehouden om zijn werkzaamheden te verrichten. De enkele omstandigheid dat (de gemachtigde van) werknemer dit pas op 14 april 2015 schriftelijk aan werkgeefster heeft medegedeeld, komt in de gegeven omstandigheden voor haar risico en rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen matiging van de loonvordering. Werkgeefster heeft niet gesteld dat toewijzing van de volledige loonvordering vanwege haar financiële situatie tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Hiervan is overigens ook niet gebleken. Alles overwegende is het hof voorshands van oordeel dat er geen grond is om de loonvordering van werknemer te matigen.