Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4440
Algemene Centrale van Overheidspersoneel c.s./Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra
Op 10 juni 2015 is tussen de Algemene Centrale van Overheidspersoneel c.s. (hierna: ACOP FNV c.s.) en de Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra (hierna: NFU) een onderhandelingsakkoord gesloten voor de nieuwe cao universitaire medische centra (hierna: CAO umc) met een looptijd van 1 april 2015 tot 1 januari 2018. Op 10 juli 2016 is een ‘Onderhandelaarsovereenkomst loonruimte-overeenkomst publieke sector 2015-2016’ tot stand gekomen (hierna: de loonruimteovereenkomst). ACOP FNV c.s. vorderen de NFU te gebieden een nieuwe vergadering van het Landelijk Overleg Academische Ziekenhuizen (LOAZ) in te plannen en haar medewerking te verlenen om in die vergadering van het LOAZ afspraken te maken tot formalisatie van de in de loonruimteovereenkomst gemaakte afspraken in de CAO umc, die leiden tot een stijging van het primair loon per 1 januari 2016 met 1,4%.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Volgens ACOP FNV c.s. heeft open en reëel overleg plaatsgevonden over de loonruimteovereenkomst en is de NFU als lid van de VSO onvoorwaardelijk gebonden aan de daarin vastgelegde afspraken. De NFU heeft bestreden dat zij zich naast de salarisverhogingen uit de CAO umc heeft gebonden aan de salarisverhoging uit de loonruimteovereenkomst. De NFU stelt dat zij niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van deze overeenkomst en dat zij daarbij niet werd vertegenwoordigd, niet door het kabinet en evenmin door de VSO. De NFU stelt dat zij ook niet op de hoogte werd gehouden. De voorzieningenrechter overweegt dat de NFU recht heeft op open en reëel overleg. Dat hoeft niet per se in de formele setting van het LOAZ. Als er in een informele setting reëel en open overleg heeft plaatsgevonden, hoeft dat in beginsel niet in het LOAZ te worden herhaald, behalve met betrekking tot thema's die niet of onvoldoende aan de orde zijn geweest in dat informele overleg (dit volgt uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2949). Voorwaarde daartoe is wel dat óf de NFU zelf aan dat informele overleg heeft deelgenomen dan wel dat zij in dat overleg uitdrukkelijk vertegenwoordigd is geweest, óf dat zij achteraf uitdrukkelijk met de uitkomst van het informele overleg heeft ingestemd. Het staat vast dat de NFU niet zelf aan het overleg rond het loonruimteakkoord heeft deelgenomen. ACOP FNV c.s. hebben gesteld dat de NFU bij het overleg vertegenwoordigd is geweest, maar heeft dit, na betwisting door de NFU, niet aannemelijk kunnen maken. Voorts stellen ACOP FNV c.s. dat de NFU nadien alsnog heeft ingestemd met de gemaakte afspraken. Deze stelling hebben zij echter niet met schriftelijke stukken onderbouwd. Daarnaast heeft de NFU nadrukkelijk bestreden dat zij zich op de gestelde wijze heeft uitgelaten. Volgens haar heeft zij uitsluitend kenbaar gemaakt dat zij de intentie heeft om de afspraken uit de loonruimteovereenkomst in de CAO umc over te nemen voor zover daarvoor financiële ruimte bestaat en dat voor het verkrijgen van die ruimte overleg met de Rijksoverheid noodzakelijk was in verband met de tegenvallende ABP-premieontwikkeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorshands evenmin worden aangenomen dat ACOP FNV c.s. in de gegeven omstandigheden er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat de NFU zich zonder voorwaarde van financiering heeft gebonden aan de loonstijging van 1,4% per 1 januari 2016. Gelet op (onder meer) het voorgaande wordt de gevraagde voorziening geweigerd.