Naar boven ↑

Rechtspraak

Achmea Schadeverzekeringen N.V. c.s./werknemer
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 27 juli 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:4616

Achmea Schadeverzekeringen N.V. c.s./werknemer

Inlenersaansprakelijkheid (art. 7:658 lid 4 BW). Rechtbank bevoegd. Het ontbreekt de rechtbank aan een wettelijke grondslag om over te gaan tot vernietiging van – inmiddels door het hof bekrachtigde – deelgeschilbeschikking van de kantonrechter.

Op 13 juli 2007 is werknemer betrokken geraakt bij een bedrijfsongeval als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen. Werknemer was zelfstandig klusjes-/timmerman en werkte als zzp’er in opdracht en onder leiding van een rechtsvoorgangster van BTB Riedas B.V. (hierna: BTB). BTB en haar verzekeraar Achmea hebben aansprakelijkheid erkend voor de schade van werknemer als gevolg van het ongeval en Achmea heeft reeds voorschotten aan werknemer uitgekeerd. Ten tijde van het ongeval was werknemer verzekerd bij De Amersfoortse. Werknemer ontvangt vanaf 2009 maandelijks uitkeringen van De Amersfoortse. Bij de schadeafwikkeling zijn partijen het er niet over eens kunnen worden of die uitkeringen door Achmea al dan niet in mindering mochten worden gebracht op de aan werknemer te betalen schadevergoeding. De kantonrechter te ’s-Hertogenbosch heeft voor recht verklaard dat de uitkeringen uit de verzekering van werknemer niet in aanmerking komen voor verrekening van genoten voordeel op de voet van het bepaalde in artikel 6:100 BW. Het hof heeft die beschikking bekrachtigd en de Hoge Raad heeft Achmea niet-ontvankelijk verklaard (zie AR 2015-0569). Achmea verzoekt de rechtbank om de deelgeschilbeschikking van de kantonrechter te vernietigen en alsnog voor recht te verklaren dat Achmea de uitkeringen mag verrekenen met de schadeuitkeringen die zij aan werknemer verschuldigd is.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank acht zich bevoegd van deze zaak kennis te nemen. In de laatste volzin van artikel 7:658 lid 4 BW staat weliswaar dat de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van kwesties betreffende inlenersaansprakelijkheid, maar daaruit kan niet een bevoegdheidscheppende hoofdregel worden afgeleid die gelijk is te stellen met die van artikel 93 Rv. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat ingeval zowel de werkgever als de inlener aansprakelijk worden gesteld, de kantonrechter op grond van die laatste volzin van lid 4 beide zaken kan behandelen en de procedure tegen de inlener niet behoeft te verwijzen naar de rechtbank. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van een vordering op grond van artikel 7:658 lid 4 BW, nu de wetgever expliciet een daarvan afwijkende bevoegdheidsregel ten behoeve van de kantonrechter heeft geformuleerd.

Achmea wenst dat de – inmiddels door het hof bekrachtigde – beschikking in deelgeschil van tafel gaat. Zoals werknemer ook aanvoert, ontbreekt het de rechtbank aan een wettelijke basis om over te gaan tot vernietiging van deze beschikking. Nu de kantonrechter in de deelgeschilbeschikking heeft beslist dat de verzekeringsuitkeringen die werknemer van De Amersfoortse ontvangt niet in aanmerking komen voor verrekening in de zin van artikel 6:100 BW, is de rechtbank in de bodemzaak hieraan gebonden op dezelfde wijze als wanneer deze beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in de bodemprocedure (art. 1019cc lid 1 Rv). Slechts indien uit nadere gegevens zou blijken dat deze beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, is de rechtbank bevoegd over te gaan tot heroverweging van die beslissing, om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan. De rechtbank overweegt dat haar niet is gebleken dat de deelgeschilbeschikking berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Wat Achmea c.s. daartoe aanvoert is grotendeels een herhaling van wat zij heeft aangevoerd in de deelgeschilprocedure bij kantonrechter en hof. De argumenten van Achmea c.s. zijn eerst door de kantonrechter en vervolgens door het hof uitvoerig besproken en gewogen. Dat is gebeurd aan de hand van het arrest Verhaeg/Jenniskens van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7808). In dat arrest heeft de Hoge Raad een aantal gezichtspunten gegeven aan de hand waarvan de rechter kan beoordelen of verrekening als bedoeld in artikel 6:100 BW redelijk is in een geval als het onderhavige. Aan de hand van deze gezichtspunten hebben kantonrechter en hof geoordeeld dat er geen op de redelijkheid gebaseerde grond is om de uitkeringen die werknemer ontvangt uit hoofde van zijn particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering bij de vaststelling van de schade in rekening te brengen. Van een feitelijke of juridische onjuistheid van deze beoordelingen is de rechtbank niet gebleken. Anders dan Achmea c.s. bepleit is er geen vaste lijn in jurisprudentie en literatuur die inhoudt dat uitkeringen uit wat Achmea c.s. aanduidt als een ‘klassieke’ AOV-verzekering op de voet van artikel 6:100 BW verrekend mogen worden. Het beroep van Achmea c.s. op twee tamelijk recente uitspraken van lagere rechters, waarin het redelijk werd geoordeeld om bij het vaststellen van de inkomensschade rekening te houden met de uitkeringen die het slachtoffer ontving uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, gaat niet op. Volgt afwijzing van de vorderingen.