Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Protestants-christelijke stichting Philadelphia Zorg
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 1 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4844

werkneemster/Protestants-christelijke stichting Philadelphia Zorg

Ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Werkneemster heeft gelden uit de kassa verduisterd. Gefixeerde schadevergoeding. Bewijsopdracht. Geen transitievergoeding verschuldigd.

Werkneemster is op 1 juli 2004 in dienst getreden bij de protestants-christelijke stichting Philadelphia Zorg (hierna: Philadelphia). Werkneemster is op 8 december 2015 door Philadelphia geschorst omdat bij Philadelphia het vermoeden was ontstaan dat werkneemster gelden had verduisterd en onttrokken uit een kassa. Philadelphia heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de vermeende verduistering. Werkneemster is naar aanleiding van een op 8 maart 2016 uitgebracht rapport op staande voet ontslagen. Werkneemster vordert onder meer vernietiging van de opzegging en wedertewerkstelling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kern van het geschil is of het ontslag op staande voet onverwijld gegeven is. In onderhavige situatie staat vast dat eind november 2015 vreemde transacties zijn geconstateerd door de nieuwe waarnemend locatiemanager met betrekking tot kasadministratie waarvoor werkneemster op dat moment verantwoordelijk was. Werkneemster is gehoord en direct daarna is een intern onderzoek opgestart. Dat dit alles niet voortvarend is gebeurd is ook niet door werkneemster gesteld. Werkneemster stelt dat toen het intern onderzoek op 7 januari 2016 was afgerond er reeds voldoende feiten en omstandigheden waren gebleken om haar op staande voet te ontslaan en dat er op dat moment geen reden was een aanvullend extern onderzoek door bureau X te laten plaatsvinden. De kantonrechter constateert dat uit het intern onderzoek van Philadelphia bleek dat werkneemster zich niet aan de voorgeschreven procedures had gehouden. Het interne onderzoeksrapport geeft een feitelijke weergave van het aantal (vreemde) mutaties doch richt zich niet, althans summier, op de vraag hoe het kan dat die vreemde mutaties op de naam van werkneemster zijn ontstaan, of de gelden haar ten goede zijn gekomen en of zij heeft gehandeld in samenwerking met of op aanwijzing van derden. Werkneemster heeft tijdens het interne onderzoek de feiten niet erkend en op vele vragen geantwoord dat zij de toedracht van bepaalde transacties niet meer kon herinneren. Gelet op de inhoud van het interne onderzoeksrapport, in combinatie met de opstelling van werkneemster, is begrijpelijk dat Philadelphia op dat moment niet het risico wilde nemen dat later zou kunnen blijken dat werkneemster slechts een slordige kasadministratie over het jaar 2015 had bijgehouden en door betrokkenheid van derden de schijn tegen had gekregen, en zij daardoor werkneemster ten onrechte op staande voet zou ontslaan. Gelet hierop had Philadelphia voldoende aanleiding de bevindingen uit het intern onderzoek te laten toetsen door een professionele externe partij en tevens te laten onderzoeken of er andere medewerkers betrokken waren voordat zij tot het geven van een ontslag op staande voet overging. Zij heeft hierbij ook niet onnodig lang gewacht en is direct volgend op de conclusie van het intern onderzoek overgegaan tot het verlenen van de opdracht aan bureau X. Ook nadat de conclusies van bureau X bekend waren heeft zij direct werkneemster uitgenodigd voor een hoorgesprek en heeft zij voortvarend gehandeld met het geven van het ontslag op staande voet. Nu het ontslag onverwijld is gegeven houdt op grond van het vorenstaande het op 10 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet stand. Nu de gedragingen van werkneemster als ernstig verwijtbaar kunnen worden bestempeld, is de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 7 BW ook niet verschuldigd. Ingevolge artikel 7:677 BW is werkneemster, als de partij die door opzet of schuld de dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan Philadelphia een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Nu werkneemster op grond van artikel 7:661 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade die zij Philadelphia heeft toegebracht is zij op grond van artikel 6:96 BW ook aansprakelijk voor de door Philadelphia gemaakte onderzoekskosten. Philadelphia vordert tot slot vergoeding van alle schade die door werkneemster is toegebracht. Nu sprake is geweest van opzet, althans bewuste roekeloosheid, in de zin van artikel 7:661 BW, dient werkneemster deze schade te vergoeden. De kantonrechter overweegt met betrekking tot de twee door Philadelphia gestelde totaalbedragen dat op basis van de thans beschikbare informatie onvoldoende vaststaat dat deze transacties (dubbelboeken en/of niet verantwoorden) ertoe hebben geleid dat er gelden bij Philadelphia zijn onttrokken en dat dit door werkneemster is gebeurd. Ten behoeve van de waarheidsvinding zal Philadelphia worden toegelaten tot bewijs dat er door werkneemster gelden zijn onttrokken door het dubbelboeken en/of niet verantwoorden van transacties in de uitoefening van haar functie als kassier bij Philadelphia. Tevens zal Philadelphia de omvang van de daarmee verband houdende schade moeten bewijzen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.