Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 augustus 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6693
werknemer/All Voltage Supply B.V.
Werknemer is op 4 november 2004 in dienst getreden bij AVS. Zijn laatste functie was General Manager. Werknemer en AVS hebben op 29 februari 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten. AVS heeft werknemer bij brief van 22 april 2016 op staande voet ontslagen, kort gezegd omdat werknemer tijdens zijn (resterend) dienstverband concurrerende activiteiten heeft verricht. AVS stelt bovendien dat zij de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 heeft vernietigd. Werknemer verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Dit ontslag kenmerkt zich door het tijdstip waarop het plaatsvond, namelijk nadat partijen al besloten hadden hun arbeidsrelatie te beëindigen en kort voordat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op de overeengekomen datum. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of het op 22 april 2016 van AVS redelijkerwijs niet gevergd kon worden om de arbeidsovereenkomst tot 1 juni 2016 te laten voortduren. In feite komt het erop neer dat het werknemer slechts verweten kan worden dat hij te vroeg ten behoeve van Z actief is geworden. Werknemer betwist overigens dat hij vóór 22 april 2016 concurrerende werkzaamheden verrichtte en stelt dat hij slechts ‘wat werkzaamheden’ bij Z verrichtte. Wat hier ook van zij, ook indien uitgegaan wordt van de juistheid van de door AVS gestelde activiteiten, is de kantonrechter in het licht van de getroffen regeling ter beëindiging van het dienstverband, mede gezien de persoonlijke belangen van werknemer en de gevolgen die het ontslag voor hem hebben, van oordeel dat een dringende reden niet aangenomen kan worden. Partijen hadden immers complexe geschillen waaraan na mediation een einde is gekomen in de vorm van een beëindigingsovereenkomst. Die overeenkomst houdt in de kern in dat partijen zo snel mogelijk de samenwerking wilden verbreken op de nader overeengekomen condities. Werknemer werd met het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst direct vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden ten behoeve van AVS. Daarmee wordt aan werknemer de gelegenheid geboden op zoek te gaan naar een nieuwe werkgever. Dat de arbeidsovereenkomst niet direct of kort na de ondertekening is beëindigd, maar pas op 1 juni 2016, is het gevolg van het in acht nemen van de opzegtermijn teneinde werknemer te voorzien van een aansluitende WW-uitkering. Dat werknemer niet tot 1 juni 2016 heeft gewacht met het ontplooien van activiteiten ten behoeve van Z rechtvaardigt geen ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
Het beroep van AVS op dwaling (art. 6:228 BW) faalt. AVS verwijt werknemer dat hij al voor de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 van plan was te gaan concurreren met AVS. Als deze stelling immers juist is, werknemer betwist het, dan wist AVS hiervan, getuige haar brief aan werknemer van 29 januari 2016. Desondanks is AVS de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 aangegaan. Van dwaling is daarom geen sprake. Ook het beroep op bedrog (art. 3:44 BW) faalt. Als werknemer voor 29 februari 2016 al contact had met Z, dan was hij niet verplicht dit bij AVS te melden. Hierbij wordt opgemerkt dat AVS zelf heeft ingestemd met versoepeling van het concurrentie- en relatiebeding, ingaande op het moment dat de vaststellingsovereenkomst werd ondertekend. AVS had daarbij kunnen weten dat werknemer kon gaan werken bij een niet met name in de vaststellingsovereenkomst genoemd concurrerend bedrijf of een concurrerend bedrijf buiten de straal van 30 kilometer. Als AVS dat niet had gewild, had zij het aanvankelijk overeengekomen concurrentie- en relatiebeding moeten handhaven. Voor recht wordt verklaard dat AVS gehouden is de vaststellingsovereenkomst na te komen.