Naar boven ↑

Rechtspraak

María Elena Pérez López/Servicio Madrileño de Salud (Comunidad de Madrid)
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 september 2016
ECLI:EU:C:2016:679

María Elena Pérez López/Servicio Madrileño de Salud (Comunidad de Madrid)

Indien structureel 25% van het personeelsbestand uit ‘dienstverbanden van tijdelijke aard’ bestaat, kan niet langer sprake zijn van ‘objectieve redenen’ in de zin van Richtlijn 1999/70/EG.

Pérez López is aangesteld als statutair personeelslid op oproepbasis om als verpleegkundige te werken in het academisch ziekenhuis Madrid van 5 februari tot en met 31 juli 2009. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 3 van het kaderstatuut werd als reden voor haar aanstelling ‘het verrichten van bepaalde werkzaamheden van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard’ gegeven, en haar werkzaamheden werden beschreven als ‘het uitoefenen van haar beroepsactiviteit in dit ziekenhuis teneinde de zorg te waarborgen’. Na afloop van die aanstelling is het dienstverband van Pérez López zevenmaal verlengd, in de vorm van aanstellingen voor bepaalde tijd van drie, zes en negen maanden, telkens in dezelfde termen, met als gevolg dat Pérez López ononderbroken werkzaamheden heeft verricht van 5 februari 2009 tot en met 31 maart 2013. Tijdens de laatste van de genoemde aanstellingen, van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013, heeft de Consejería de Economia y Hacienda de la Comunidad de Madrid (ministerie van Economie en Financiën van de autonome regio Madrid, Spanje) het besluit van 28 januari 2013 vastgesteld op grond waarvan, ter vermindering van de overheidsuitgaven, moet worden overgegaan tot beëindiging van het dienstverband van het tijdelijke personeel als de einddatum van de aanstelling is aangebroken, en tot eindafrekening over de periode waarin de werkzaamheden verricht zijn, zelfs als een tijdelijke werknemer aansluitend een nieuwe aanstelling krijgt. Krachtens dit besluit is op 8 maart 2013 aan Pérez López medegedeeld dat haar dienstverband met de Madrileense gezondheidszorg zou worden beëindigd op 31 maart 2013. Op 21 maart 2013 kreeg zij echter een nieuwe aanstelling, gelijk aan de eerdere aanstellingen en onmiddellijk daarop aansluitend, die liep van 1 april tot en met 30 juni 2013. Op 30 april 2013 heeft Pérez López administratief beroep ingesteld tegen de beëindiging van haar dienstverband en de hernieuwde aanstelling als statutair medewerker op oproepbasis. Ter onderbouwing van haar beroep voert zij in wezen aan dat haar opeenvolgende aanstellingen niet bedoeld waren om te voorzien in een conjuncturele of buitengewone behoefte van de gezondheidsdiensten en dat in werkelijkheid sprake was van permanent werk. Gesteld wordt dan ook dat de opeenvolging van haar aanstellingen voor bepaalde tijd schending van het recht oplevert en moet leiden tot omzetting van haar arbeidsverhouding. Volgens de verwijzende rechter voorziet de aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, en dan in het bijzonder artikel 9 van het kaderstatuut, niet in maatregelen die het gebruik van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd daadwerkelijk beperken. Er is immers weliswaar sprake van een maximale duur voor het dienstverband van personeel op oproepbasis, maar overheidsinstanties kunnen zelf beoordelen waarom gebruik wordt gemaakt van aanstellingen voor bepaalde tijd en of een permanente functie moet worden gecreëerd om te voorzien in de behoeften van de gezondheidsdiensten. Ook in het geval dat een dergelijke functie wordt gecreëerd, blijft de precaire situatie van de werknemers bestaan, aangezien overheidsinstanties daarvoor tijdelijk personeel ad interim kunnen aanstellen, zonder beperkingen wat de duur of het aantal verlengingen van de aanstellingen voor bepaalde tijd van die werknemers betreft. Met zijn eerste en zijn derde vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 5 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat deze clausule zich ertegen verzet dat een nationale regeling als in het hoofdgeding door de overheidsinstanties van de betrokken lidstaat aldus wordt toegepast dat de verlenging van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd in de openbare gezondheidszorg wordt geacht om ‘objectieve redenen’ in de zin van de clausule gerechtvaardigd te zijn op de grond dat die aanstellingen zijn gebaseerd op wettelijke bepalingen op grond waarvan verlenging mogelijk is om bepaalde werkzaamheden van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard te verrichten, en dat de overheid beoordelingsvrijheid heeft om te beslissen of er structurele arbeidsplaatsen worden gecreëerd en een einde wordt gemaakt aan de aanstelling van statutair personeel op oproepbasis.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Een nationale regeling die vernieuwing van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogelijk maakt om personeel te vervangen in afwachting van de invulling van structurele arbeidsplaatsen die worden gecreëerd, kan in beginsel weliswaar worden gerechtvaardigd door een objectieve reden, maar de concrete toepassing van deze reden moet, gelet op de bijzondere kenmerken van de betrokken activiteit en de voorwaarden voor de uitoefening ervan, in overeenstemming zijn met de vereisten van de raamovereenkomst (zie in die zin arresten van 26 januari 2012, Kücük, C-586/10, ECLI:EU:C:2012:39, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 november 2014, Mascolo e.a., C-22/13, C-61/13, C-63/13 en C-418/13, ECLI:EU:C:2014:2401, punt 99). In casu moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet voorziet in een verplichting voor de bevoegde overheidsinstantie om extra structurele arbeidsplaatsen te creëren teneinde een einde te maken aan de aanstelling van statutair personeel op oproepbasis. Wel blijkt uit de door de verwijzende rechter gedane vaststellingen dat gecreëerde structurele arbeidsplaatsen worden ingevuld door statutair personeel ad interim aan te stellen, zonder dat wordt voorzien in een beperking van de duur van de aanstellingen of het aantal verlengingen daarvan, zodat de precaire situatie van de werknemers in werkelijkheid blijft bestaan. Met een dergelijke wettelijke regeling kunnen aanstellingen voor bepaalde tijd in strijd met clausule 5 lid 1 onderdeel a van de raamovereenkomst worden verlengd om te voorzien in behoeften die permanent en blijvend zijn, terwijl er in de betrokken lidstaat sprake is van een structureel tekort aan arbeidsplaatsen voor personeel in vaste dienst. Deze constatering vindt steun in de overweging van de verwijzende rechter dat de invulling van arbeidsplaatsen in de gezondheidszorg door tijdelijk statutair personeel aan te stellen een ‘chronisch probleem’ vormt en dat naar schatting ongeveer 25% van de 50.000 arbeidsplaatsen voor personeel in de gezondheidszorg in de autonome regio Madrid wordt bezet door personeel met aanstellingen op tijdelijke basis, waarbij het gemiddelde tussen vijf en zes jaar ligt, maar in sommige gevallen extremen worden bereikt van mensen die langer dan vijftien jaar onafgebroken hebben gewerkt. Gelet op al het voorgaande moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat clausule 5 lid 1 onderdeel a van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat deze clausule zich ertegen verzet dat een nationale regeling als in het hoofdgeding door de overheidsinstanties van de betrokken lidstaat aldus wordt toegepast dat:

– de verlenging van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd in de openbare gezondheidszorg wordt geacht om ‘objectieve redenen’ in de zin van de clausule gerechtvaardigd te zijn op de grond dat die aanstellingen zijn gebaseerd op wettelijke bepalingen op grond waarvan verlenging mogelijk is om bepaalde werkzaamheden van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard te verrichten, terwijl het in werkelijkheid gaat om permanente en blijvende behoeften;

– er op de bevoegde overheidsinstantie geen verplichting rust om structurele arbeidsplaatsen te creëren en daarmee een einde te maken aan de aanstelling van statutair personeel op oproepbasis, en de bevoegde overheidsinstantie gecreëerde structurele arbeidsplaatsen kan invullen door statutair personeel ad interim aan te stellen, zodat de precaire situatie van de werknemers blijft bestaan, ofschoon de betrokken staat in de zorg een structureel tekort aan arbeidsplaatsen voor personeel in vaste dienst kent.

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat deze clausule zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding waarbij statutair personeel op oproepbasis bij beëindiging van het dienstverband geen vergoeding krijgt, terwijl dat wel het geval is voor vergelijkbare arbeidscontractanten op oproepbasis. In dit verband dient erop te worden gewezen dat in de raamovereenkomst aan het non-discriminatiebeginsel uitsluitend uitvoering en invulling wordt gegeven met betrekking tot verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vergelijkbare werknemers in vaste dienst (beschikkingen van 11 november 2010, Vino, C-20/10, niet gepubliceerd, ECLI:EU:C:2010:677, punt 56; 22 juni 2011, Vino, C-161/11, niet gepubliceerd, ECLI:EU:C:2011:420, punt 28, en 7 maart 2013, Rivas Montes, C-178/12, niet gepubliceerd, ECLI:EU:C:2013:150, punt 43). Slechts als de verwijzende rechter tot de vaststelling komt dat werknemers met een dienstverband voor onbepaalde tijd die vergelijkbare arbeid verrichten, bij beëindiging van het dienstverband een vergoeding ontvangen, terwijl statutair personeel op oproepbasis daar geen recht op heeft, kan dit verschil in behandeling onder het in clausule 4 van de raamovereenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel vallen (zie in die zin arrest van heden, De Diego Porras, punten 37 en 38).