Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 13 september 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:4099
werkneemster/Stichting Amphia
Werkneemster (geboren 1963) is op 16 januari 1991 bij (de rechtsvoorganger van) Amphia in dienst getreden. Werkneemster was sinds 1 september 2010 werkzaam in de functie van administratief medewerker arbeid en gezondheid. Werkneemster is met fysieke en psychische klachten uitgevallen in januari 2012. Amphia heeft diverse malen een loonstop opgelegd, omdat werkneemster haar re-integratieverplichtingen onvoldoende nakwam. Bij beschikking van 20 november 2012 heeft de kantonrechter de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op verzoek van Amphia ontbonden met ingang van 1 december 2012, waarbij is overwogen dat geen sprake is van een opzegverbod en dus ook niet van reflexwerking en dat – zo het opzegverbod wel zou gelden – er sprake is van duurzaam verstoorde verhoudingen. Het verzoek van werkneemster tot toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 69.300 heeft de kantonrechter afgewezen, omdat de ontbindingsgrond naar het oordeel van de kantonrechter geheel aan werkneemster is te verwijten, respectievelijk geheel in haar risicosfeer ligt. In december 2012 is werkneemster gediagnosticeerd met een psychotische stoornis. Werkneemster vordert thans schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking van Amphia. Zij stelt daartoe dat Amphia ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van werkneemster, omdat er bij de ontbindingsbeschikking van 20 november 2012 ten onrechte geen ontbindingsvergoeding aan werkneemster ten laste van Amphia is toegekend. Werkneemster stelt dat op grond van de medische informatie die inmiddels beschikbaar is gekomen omtrent haar gezondheidssituatie in het laatste jaar van het dienstverband met Amphia, aan haar wel een ontbindingsvergoeding toegekend had moeten worden. Zij stelt dat het haar, gezien haar toenmalige psychose, niet verweten kan worden dat zij zich niet heeft gehouden aan de controlevoorschriften en re-integratieverplichtingen bij ziekte en de afspraken met Amphia. Indien en voor zover de toepassing van artikel 6:212 BW zou betekenen dat niet sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, dan past het in het stelsel van de wet en de wél in de wet geregelde gevallen (zoals bedoeld in HR 30 januari 1959, NJ 1959/548, Quint/Te Poel) dat de niet-uitbetaalde ontbindingsvergoeding onrechtvaardig is en daarmee in strijd is met de redelijkheid en billijkheid waarmee het civiele recht is doorspekt.
Het hof oordeelt als volgt. Ten aanzien van het beroep van werkneemster op ongerechtvaardigde verrijking, zoals bedoeld in artikel 6:212 BW, overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof is Amphia, indien en voor zover al zou worden geoordeeld dat zij is verrijkt, niet ongerechtvaardigd verrijkt. De (mogelijke) verrijking van Amphia vindt haar rechtvaardiging immers in de ontbindingsbeschikking van 20 november 2012, waarbij het verzoek van werkneemster tot toekenning van een ontbindingsvergoeding is afgewezen. Daaraan doet niet af dat de beslissing tot afwijzing van de ontbindingsvergoeding en de procedure die tot deze beslissing heeft geleid, in het licht van de medische informatie die inmiddels beschikbaar is gekomen omtrent de gezondheidssituatie van werkneemster in het laatste jaar van het dienstverband met Amphia, door werkneemster (achteraf) als onrechtvaardig, onrechtmatig of als in strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt ervaren. Vast staat dat de kantonrechter op de destijds kenbare gronden heeft beslist zoals hij heeft gedaan in de beschikking van 20 november 2012 en dat deze beslissing inmiddels tussen partijen gezag van gewijsde heeft gekregen. Van een onrechtvaardige en/of onrechtmatige ontbindingsbeschikking is niet gebleken. Mede in het licht daarvan ziet het hof evenmin in waarom uit de redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien dat werkneemster toch aanspraak zou kunnen maken op de gevorderde schadevergoeding. Werkneemster beroept zich in de toelichting op grief 2 nog op HR 30 januari 1959, NJ 1959/548 (Quint/Te Poel), waarin is overwogen ‘dat in gevallen die niet bepaaldelijk door de wet zijn geregeld, de oplossing moet worden aanvaard, die in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wèl in de wet geregelde gevallen’. Werkneemster heeft naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende onderbouwd dat op deze grondslag, kort gezegd: het stelsel van de wet, in het onderhavige geval een verbintenis tussen partijen zou zijn ontstaan.
Over de loonvordering tijdens de loonstop, oordeelt het hof aldus. Het hof is van oordeel dat de door Amphia genoemde omstandigheden een situatie opleveren als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 onderdeel d BW en dus ook een staking van de loonbetaling op die grond hebben kunnen rechtvaardigen. Werkneemster had gedurende die periode derhalve geen recht op loon tijdens ziekte. De enkele omstandigheid dat Amphia later, uit coulance, alsnog is overgegaan tot betaling van het loon over deze periode brengt niet mee dat Amphia hierover wettelijke rente is verschuldigd.