Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4564
werknemer/werkgever
Werknemer is op 1 juli 2001 in dienst getreden van werkgever. Per 2004 is werknemer werkzaam in de functie van Operationeel Manager en maakt hij deel uit van het Management Team. In een vaststellingsovereenkomst gedateerd 22 april 2016 is onder meer overeengekomen dat het dienstverband eindigt per 1 oktober 2016 en dat werkgever aan werknemer een vergoeding van € 85.000 bruto zal betalen. Op 17 mei 2016 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen. Werkgever legt aan het ontslag – kort samengevat – ten grondslag dat werknemer heimelijk en zonder toestemming bedrijfseigendommen heeft verkocht aan derden tegen contante betaling, zonder de verrichte transacties en ontvangen gelden bij de financiële administratie te hebben verantwoord. Werknemer verzoekt onder meer het ontslag op staande voet te vernietigen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever stelt dat de afdelingsmanager heeft gemeld dat er dertien gebruikte koffiemachines waren verdwenen uit de externe opslag. Die koffiemachines, van een merk dat werkgever zelf niet levert, waren teruggekomen van een klant en dienden te worden vernietigd. De machines lagen echter niet in de container voor oud ijzer, waar de te vernietigen machines normaal gesproken naartoe worden gebracht. Werkgever heeft vervolgens een extern onderzoeksbureau ingeschakeld. Het onderzoeksbureau heeft gps-gegevens van de bedrijfswagens van werkgever geanalyseerd en is tot de conclusie gekomen dat de betreffende koffiemachines door werknemer op 2 en 4 mei 2016 zijn vervoerd naar een handelaar in tweedehands koffiemachines. Een medewerker van dat bedrijf heeft verklaard dat hij sinds 2014/2015 tweedehands koffiemachines opkoopt via werknemer, waarvoor hij steeds cash betaalt. Anders dan werkgever is de kantonrechter van oordeel dat werknemer een voldoende geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor zijn handelwijze met betrekking tot de tweedehands koffiemachines. Het optreden van werkgever zelf is daarentegen onbegrijpelijk. Werkgever heeft een onderzoeksbureau benaderd wegens het verdwijnen van de koffiemachines. Op 19 april 2016 had werknemer echter al melding gemaakt van de verkoop van die machines aan een opkoper. De manager technische dienst heeft bovendien op 12 mei 2016 verklaard dat hij een week of vier/vijf geleden, tijdens het managementoverleg, waarbij alle directeuren en leidinggevenden aanwezig zijn, van werknemer heeft gehoord dat de koffiemachines waren verkocht aan een opkoper, waarbij een bepaald bedrag was afgesproken. Dit alles is voor werkgever geen reden geweest om op de schreden terug te keren: zij heeft het onderzoeksbureau opdracht gegeven een onderzoek te starten naar de verdwenen koffiemachines. Onder die omstandigheden is het inschakelen van een onderzoeksbureau weinig zinvol, want overbodig. Werknemer daarentegen heeft niet heimelijk gehandeld: hij heeft zijn plannen met de koffiemachines mondeling kenbaar gemaakt in het managementoverleg. Een collega van werknemer heeft ter zitting toegelicht dat oude koffiemachines sinds jaar en dag of worden verkocht aan een opkoper, of worden afgevoerd als oud ijzer. Dat werknemer contact had met een opkoper was dan ook in het geheel niet vreemd. Het enkele feit dat werknemer de betreffende transacties niet steeds via de financiële afdeling heeft laten verlopen, maar zelfstandig heeft afgehandeld, kan in de gegeven omstandigheden het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. De arbeidsovereenkomst eindigt daarom zoals partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen, per 1 oktober 2016.