Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 21 september 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:8236
werknemer/werkgever
Werknemer is sinds 4 mei 1998 krachtens arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week in dienst van werkgever in de functie van chauffeur. Op 27 oktober 2015 is werknemer wegens ziekte (een zogenoemde burn-out) uitgevallen, waarna de bedrijfsarts op 4 november 2015 oordeelde dat werknemer volledig arbeidsongeschikt is en dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Werknemer heeft op 23 mei 2016 aan werkgever gemaild dat hij zijn medicatie aan het afbouwen is, dat hij daar de daaropvolgende zaterdag mee klaar is en dan maandag weer zou kunnen beginnen voor een paar uurtjes per dag. Op 27 mei 2016 heeft de bedrijfsarts eveneens aangegeven dat werknemer weer halve dagen eigen werk zou kunnen gaan verrichten. Werkgever heeft werknemer sindsdien niet meer als chauffeur laten werken, hetgeen wederom tot een arbeidsongeschiktheid heeft geleid, waarna de bedrijfsarts werknemer op 4 juli 2016 weer volledig arbeidsgeschikt heeft verklaard. Ook uit arbeidsdeskundig onderzoek d.d. 3 augustus 2016 blijkt dat werknemer weer geschikt is voor de eigen arbeid. Werkgever blijft weigeren om werknemer tot zijn eigen werk toe te laten en staat hem alleen werk ‘op het terrein’ toe, dat in ieder geval deels bestaat uit sloopwerkzaamheden. Werknemer vordert – kort gezegd – de veroordeling van werkgever om wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom. Werkgever voert gemotiveerd verweer.
Gelet op de naar aard en inhoud op zichzelf onbetwist gelaten en ondubbelzinnige verklaringen van zowel de bedrijfsarts van 27 mei 2016 als van de arbeidsdeskundige van het UWV van 3 augustus 2016 concludeert de voorzieningenrechter dat werknemer in ieder geval vanaf 4 juli 2016 geschikt is te achten voor zijn werk als chauffeur. Ter zitting heeft werkgever aangevoerd dat er een bedrijfseconomische reden is waarom zij werknemer niet meer als chauffeur inzet. Nog daargelaten dat dit gemotiveerd betwist is en in deze procedure niet is komen vast te staan, heeft de ter zitting aanwezige directeur van werkgever te kennen gegeven dat werknemer de enige van de (zes) chauffeurs in dienst van werkgever is aan wie geen chauffeurswerkzaamheden meer worden opgedragen. Bovendien heeft hij erkend dat hij een zzp’er heeft ingehuurd om chauffeurs gedurende hun vakantie te vervangen. Dit argument lijkt er dan ook met de haren te zijn bijgesleept en is dus onvoldoende overtuigend. Ter zitting is gebleken dat werkgevers belangrijkste argument om werknemer geen chauffeurswerkzaamheden meer te laten verrichten, is dat hij disfunctioneert in de functie van chauffeur. Daartoe voert werkgever aan dat werknemer in het verleden meermaals (zware) schade aan vrachtwagens en lading heeft veroorzaakt en in 2010 een rijontzegging van 8 maanden wegens alcoholmisbruik opgelegd heeft gekregen. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat het gestelde disfunctioneren van werknemer voor werkgever gedurende al die jaren kennelijk niet zo ernstig was dat het een grond vormde om de dienstbetrekking te beëindigen. Onder deze omstandigheden mag werknemer van werkgever verlangen dat zij hem als voorheen als chauffeur inzet, met dien verstande dat als er minder ritten tussen de vaste chauffeurs te verdelen zijn, werknemer niet kan eisen evenveel als voorheen te worden ingezet, maar slechts dat hij in evenredigheid met de inzet van zijn collega-chauffeurs zal worden ingezet. De gevorderde wedertewerkstelling zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de daaraan verbonden dwangsom zal worden verminderd tot € 100 per dag of dagdeel en gemaximeerd tot € 20.000.