Naar boven ↑

Rechtspraak

Holding BV, Snacks BV, Grootverbruik BV, Logistiek BV/FNV
Hoge Raad, 23 september 2016
ECLI:NL:HR:2016:2171

Holding BV, Snacks BV, Grootverbruik BV, Logistiek BV/FNV

Uitleg begrip onderneming in CAO Gemaksvoedingsindustrie: vier afzondelijke vennootschappen tezamen nemen als één onderneming strookt niet met de per rechtspersooon afzonderlijke toetsing aan de cao.

(Cassatieberoep van AR 2015-0300.) FNV is partij bij de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie vanaf in ieder geval 1 juli 2007. De opvolgende versies van deze cao hebben gegolden tot in ieder geval 30 juni 2013 en zijn algemeen verbindend verklaard voor de periode 6 oktober 2007 tot en met 30 juni 2009 en voor de periode van 16 juli 2011 tot en met 30 juni 2013. Snacks BV is lid van Algemene Kokswaren en Snackproducenten Vereniging, die eveneens partij is bij de cao in de hiervoor bedoelde periode(s). De Holding BV maakt gebruik van een geconsolideerde jaarrekening. Volgens FNV vormden alle vier de bv’s in de in deze zaak relevante periode één onderneming in de zin van de werkingssfeerbepaling van de cao en voldeed die onderneming aan de omschrijving van die bepaling. Volgens het hof dienen de vier bv’s tezamen als ‘onderneming’ worden beschouwd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de activiteiten van Holding een afhankelijk karakter hebben in die zin dat bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium (50% of meer) ook behoren te worden betrokken de arbeidsuren die in de onderneming worden gemaakt door anderen dan de werknemers die de in de werkingssfeerbepaling genoemde werkzaamheden verrichten, teneinde deze werknemers daartoe in staat te stellen of hun daartoe de noodzakelijke ondersteuning te bieden. Tegen dit oordeel keren de bv’s zich in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Uit de tekst en systematiek van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie volgt dat ook indien sprake is van samenwerking in een groep of concern door meerdere rechtspersonen zoals voor dit geval door het hof is vastgesteld, voor iedere rechtspersoon afzonderlijk dient te worden bezien of de cao van toepassing is. De omschrijving in de werkingssfeerbepaling ‘(onderdelen van) ondernemingen’ zou anders geen begrijpelijke betekenis hebben, nu deze naar objectieve maatstaven uitgelegd, betrekking heeft op het geval dat onderdelen van ondernemingen zijn ondergebracht in verschillende rechtspersonen. De uitleg dat voor iedere rechtspersoon afzonderlijk dient te worden bezien of de cao van toepassing is, strookt met de omschrijving van het begrip ‘werkgever’ in artikel 2.1 van de cao, luidende ‘een (natuurlijke of rechts-) persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst één of meer werknemers in dienst heeft in zijn onderneming’. Opmerking verdient dat zij ook strookt met de latere versie van de cao, die eveneens algemeen verbindend is verklaard (besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2014, Stcrt. 20 maart 2014, nr. 1049) en dus recht is in de zin van artikel 79 RO. In die versie is bepaald dat de cao ziet op ‘iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap in Nederland die in hoofdzaak, dat wil zeggen gebruikelijk minimaal 50% van de verloonde arbeid, besteden aan het fabrieksmatig produceren van gemaksvoeding, koks- en snackwaren en die deze etenswaren niet ter onmiddellijke consumptie levert’. Deze wijziging is door de minister in de preambule van zijn besluit toegelicht met de volgende passage: ‘Ten aanzien van de (gestelde) werkingssfeeruitbreiding hebben cao-partijen in reactie op de bedenkingen verklaard dat met het aanpassen van de werkingssfeer een verduidelijking van de bestendige praktijk van toetsing op basis van verloonde arbeid is beoogd. Van een uitbreiding van de werkingssfeer is derhalve geen sprake.’ Het oordeel van het hof dat de toepasselijkheid van de cao in dit geval moet worden bezien voor de vier vennootschappen tezamen, is dus onjuist.