Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 16 september 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:5044
werkneemster/Ortholuna B.V.
Werkneemster is op 1 november 2003 in dienst van Ortholuna getreden als receptiemedewerkster. Zij verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ex art. 7:671c BW). Ortholuna heeft haar valselijk beschuldigd van alcoholgebruik op de werkvloer. Ortholuna heeft daarbij bovendien het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door niet met haar te overleggen over de aantijgingen. Voorts heeft Ortholuna enorme druk uitgeoefend op werkneemster om de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen en is zij niet bereid geweest om – in navolging van het advies van de bedrijfsarts – door mediation te proberen het geschil op te lossen. Daarmee heeft Ortholuna volgens werkneemster ernstig verwijtbaar gehandeld. Ortholuna verzoekt ontbinding, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Zij heeft verzocht aan werkneemster daarbij geen vergoeding toe te kennen. Ortholuna legt aan haar verzoek ten grondslag dat werkneemster na de voorafgaande waarschuwing van juni 2015 wederom onder invloed van alcohol op het werk is verschenen. Daarmee heeft zij verwijtbaar gehandeld en kan van Ortholuna niet in redelijkheid worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op basis van afgelegde verklaringen is voldoende komen vast te staan dat werkneemster op 16 juni 2016 onder invloed van alcohol op het werk is verschenen. Daarmee heeft zij, mede gelet op de waarschuwing van 22 juni 2015, verwijtbaar gehandeld. Anders dan Ortholuna lijkt te betogen, is er geen sprake van ernstige verwijtbaarheid. Daarvoor is noodzakelijk dat vast zou komen te staan dat werkneemster na de waarschuwing herhaaldelijk onder invloed op het werk is verschenen. Dat is echter onvoldoende gebleken. Van ernstig verwijtbaar handelen door Ortholuna is geen sprake, omdat geen sprake is van een valse beschuldiging. Het staat Ortholuna ook vrij om met een medewerker in overleg te treden omtrent de beëindiging van een dienstverband. Het is dan vervolgens aan de medewerker om daaraan al dan niet medewerking te verlenen. Onvoldoende gebleken is dat Ortholuna daarbij werkneemster heeft geïntimideerd of enorme druk heeft uitgeoefend. Het verzoek van werkneemster wordt toegewezen. Van belang is dat het hier om een werknemersverzoek gaat. Daarbij komt dat in dit geval ook de werkgever ontbinding heeft verzocht en uit de stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken duidelijk is geworden dat de verhoudingen tussen partijen zo verstoord zijn dat van werkneemster niet gevergd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer voortzet. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 december 2016. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Ortholuna. De verzochte vergoedingen zullen dan ook worden afgewezen.
Nu de arbeidsovereenkomst reeds ten gevolge van het verzoek van werkneemster is ontbonden, is het verzoek van Ortholuna niet toewijsbaar. De arbeidsovereenkomst kan immers slechts één keer worden ontbonden. Niet ondenkbaar is echter dat werkneemster haar verzoek binnen de te stellen termijn zal intrekken. De kantonrechter zal daarom, omwille van de proceseconomie, het verzoek van Ortholuna beoordelen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen is het primaire verzoek van Ortholuna, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer), toewijsbaar. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden onder de voorwaarde dat werkneemster haar verzoek intrekt. Nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van werkneemster, is Ortholuna daarbij de transitievergoeding verschuldigd.