Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 11 oktober 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:5476
werkneemster/Woningbouwvereniging Laren
Werkneemster is sinds november 2004 werkzaam bij Woningbouwvereniging Laren. Zij is begonnen in de functie van algemeen bestuurslid en is op 22 november 2012 benoemd tot voorzitter van het bestuur. Deze benoeming geldt voor vier jaar. Aanvankelijk verrichtte werkneemster haar werkzaamheden op vrijwillige basis. Enkele jaren later is Woningbouwvereniging Laren werkneemster een vaste maandelijkse vergoeding gaan betalen. Bij besluit van 19 september 2014 heeft de Belastingdienst de verhouding tussen Woningbouwvereniging Laren en haar bestuurders aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Werkneemster is een bestuurder in de zin van de WNT. Bij brief van 3 juni 2016 heeft de RvC de overeenkomst van werkneemster opgezegd per 1 augustus 2016. Werkneemster heeft tegen de opzegging geprotesteerd, waarop door Woningbouwvereniging Laren aan de opzegging geen uitvoering is gegeven. Thans verzoekt werkneemster veroordeling van Woningbouwvereniging Laren tot betaling van een billijke vergoeding en een transitievergoeding, alsmede een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst door opzegging is geëindigd, omdat Woningbouwvereniging Laren aanvoert dat zij werkneemster nog voor de indiening van het verzoekschrift heeft geïnformeerd dat geen uitvoering wordt gegeven aan haar opzegging. Overwogen wordt dat een opzegging volgens vaste jurisprudentie een eenzijdige rechtshandeling betreft die niet zonder medewerking van de tegenpartij kan worden teruggedraaid. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat werkneemster met een intrekking heeft ingestemd. Woningbouwvereniging Laren is dan ook gebonden aan haar opzegging, hetgeen betekent dat de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2016 is beëindigd. Dat Woningbouwvereniging Laren de vaste maandelijkse vergoeding heeft doorbetaald, doet daar niet aan af.
Voorts verschillen partijen van mening over de vraag vanaf welk moment de arbeidsovereenkomst is aangevangen. Om die reden is de hoogte van de transitievergoeding en de vraag of de opzegging onregelmatig is geweest in geschil. Eveneens in geschil is hoe de hoogte van de billijke vergoeding moet worden bepaald. Voorts zijn partijen het niet eens of de WNT voornoemde vergoedingen maximeert. Bij de beoordeling van het voorgaande geldt op grond van het bepaalde in artikel 7:610a BW het vermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, nu vaststaat dat werkneemster tegen beloning gedurende drie opvolgende maanden wekelijks arbeid voor Woningbouwvereniging Laren heeft verricht. Beoordeeld moet worden of Woningbouwvereniging Laren dit rechtsvermoeden voldoende heeft weerlegd. Woningbouwvereniging Laren heeft gesteld dat de initiële bedoeling van partijen was om geen arbeidsovereenkomst aan te gaan. Werkneemster heeft dit niet weersproken en uit een e-mail van 14 april 2015 blijkt ook dat zij zich verzet heeft tegen in ieder geval de fiscale kwalificatie van een arbeidsovereenkomst. Voor wat betreft de wijze waarop feitelijk uitvoering is gegeven aan de overeenkomst is van belang dat sprake is geweest van een gezagsverhouding en dat werkneemster haar arbeid altijd persoonlijk heeft moeten uitvoeren. Ook is werkneemster een maandelijkse vergoeding gaan ontvangen, die gekwalificeerd wordt als loon. Voor de beoordeling van de vraag vanaf welk moment de arbeidsovereenkomst is ontstaan, is relevant vanaf welk moment werkneemster de maandelijkse vergoeding is gaan ontvangen. De kantonrechter stelt werkneemster in de gelegenheid dat moment te concretiseren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.