Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 oktober 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:8228
Vlaar Groningen B.V./werknemer c.s.
Dertien werknemers zijn in dienst geweest bij Vlaar. Op de arbeidsovereenkomsten die in dat kader zijn gesloten was de CAO Grafimedia (hierna: de cao) van toepassing. Na verkregen toestemming van het UWV zijn de arbeidsovereenkomsten van de dertien werknemers wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de opzeggingen van de arbeidsovereenkomsten kennelijk onredelijk zijn te achten (gevolgencriterium) en aan de dertien werknemers een schadevergoeding toegekend. Vlaar heeft het onderhavige geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd, reden waarom het hof de grieven niet afzonderlijk maar gezamenlijk zal beoordelen.
Het hof oordeelt als volgt. Door op 27 september 2013 het UWV toestemming te vragen om de arbeidsovereenkomsten met de werknemers wegens een reorganisatie op te zeggen en op dezelfde dag de vakbonden op de hoogte te brengen van haar reorganisatieplan heeft Vlaar naar de letter van artikel 9B.2. van de geldende cao genomen niet overeenkomstig deze bepaling gehandeld. Anders dan de kantonrechter is het hof niet van oordeel dat dit het ontslag reeds kennelijk onredelijk maakt. De werknemers hebben verder niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat eerder overleg met de vakbonden niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Vast staat dat Vlaar – overeenkomstig artikel 9B.3 van deze cao – aan alle dertien werknemers outplacement heeft aangeboden. Voorts hebben de werknemers niet weersproken dat het met het bedrijf slecht ging (en dat het nog steeds slecht gaat). De RFR-regeling, op basis waarvan de kantonrechter vergoedingen heeft toegekend, bestond ten tijde van de reorganisatie niet meer. Onder deze omstandigheden behoefde van Vlaar niet te worden gevergd dat zij aanvullend nog een vergoeding aan deze werknemers zou betalen. Het niet aanbieden van een vergoeding brengt, mede gelet op het feit dat de onderneming verlieslijdend is sinds enige jaren, naar het oordeel van het hof derhalve niet mee dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Aldus komt aan deze werknemers geen recht op een vergoeding toe. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en opnieuw recht doende wordt de vordering afgewezen.