Rechtspraak
X/Y c.s.
ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: ASR), een van de vijf gedaagde partijen, heeft verwijzing van de procedure naar de kantonrechter gevorderd. Aan die vordering heeft ASR ten grondslag gelegd dat de kantonrechter bevoegd is van de procedure kennis te nemen omdat X, eisende partij, zijn vorderingen voor het overgrote deel grondt op artikel 7:658 BW.
De rechtbank oordeelt als volgt. De incidentele vordering van ASR tot verwijzing kan geen doel treffen. De vordering op ASR is immers niet een vordering als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW, maar is gebaseerd op artikel 7:954 BW. Dat artikel biedt de benadeelde onder omstandigheden de mogelijkheid de verzekeraar van degene die verantwoordelijk is voor de schade rechtstreeks tot betaling op grond van de door die verantwoordelijke partij afgesloten verzekeringsovereenkomst aan te spreken. Het is dus uiteindelijk een vordering tot nakoming van een verzekeringsovereenkomst en niet tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Toch maakt de incidentele vordering wel dat de rechtbank zich voor de vraag gesteld ziet of er aanleiding is de zaak ambtshalve te verwijzen. Daarvoor bestaat in beginsel grond, voor wat betreft drie van de vijf gedaagden. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 7:658 lid 4 BW heeft de wetgever met het opnemen van die bepaling voor ogen gestaan dat voorkomen moet worden dat op dezelfde grondslag (art. 7:658 BW) bij verschillende rechters geprocedeerd moet worden indien een van de gedaagde partijen de werkgever is (voor wie de regeling van art. 7:658 BW van toepassing is en de kantonrechter de bevoegde rechter is op grond van art. 93 Rv) en de andere partij een derde is bij wie de arbeid wordt verricht (in geval van inlenen van arbeid, waarbij de regeling van art. 7:658 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard maar zonder wettelijke regeling geen grondslag voor beoordeling door de kantonrechter zou bestaan). Met het oog op deze situatie heeft de wetgever in het vierde lid van artikel 7:658 BW de kantonrechter bevoegd verklaard. Hoewel die situatie zich in deze zaak niet voordoet, er is immers geen vordering ingesteld tegen een werkgever van X, oordeelt de rechtbank dat ook in dit geval de kantonrechter bevoegd is te oordelen over de vorderingen van X op deze drie gedaagde partijen. Nu inmiddels in de rechtspraak is verduidelijkt (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, Davelaar/Allspan) dat de overeenkomstige toepassing van de regeling van artikel 7:658 BW buiten het arbeidsrecht niet is beperkt tot de situatie dat een werknemer door zijn werkgever bij een derde partij is tewerkgesteld en dat deze regeling onder omstandigheden ook strekt tot bescherming van de zelfstandige die werkzaamheden verricht voor een opdrachtgever, ligt het voor de hand de slotzin van het vierde lid niet te beperkt uit te leggen. De conclusie van de rechtbank is dat een vordering die is gebaseerd op artikel 7:658 BW behoort tot de bevoegdheid van de kantonrechter, zodat de rechtbank in beginsel reden heeft de zaak naar de kantonrechter te verwijzen. Artikel 7:658 lid 4 BW biedt die mogelijkheid niet voor de vorderingen op Allianz en ASR. Die vorderingen betreffen immers een ander vorderingsrecht en zijn gebaseerd op artikel 7:954 BW. Het komt de rechtbank echter uiterst inefficiënt en onpraktisch voor indien de beslissing niet door dezelfde rechter wordt genomen, waarbij komt dat materieel de discussie grotendeels over dezelfde feiten en eenzelfde wettelijk kader gaat. Ook is de mogelijkheid van verschillende gerechtelijke uitspraken niet wenselijk. De rechtbank is om die reden voornemens om af te zien van de ambtshalve verwijzing naar de kantonrechter, omdat daarmee wordt voorkomen dat de zaken bij verschillende rechters komen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de rechtbank voorgenomen praktische afdoening: kunnen partijen instemmen – en zo nee, waarom niet – met het voornemen van de rechtbank om af te zien van ambtshalve verwijzing naar de kantonrechter? Met het oog op de mogelijkheid dat de rechtbank toch zal besluiten de zaak voor verdere afdoening te verwijzen naar de kantonrechter, zullen de twee gedaagde partijen die dat nog niet hebben gedaan, tevens de gelegenheid kunnen benutten zich over die mogelijkheid van verwijzing uit te laten.