Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 19 oktober 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:6036

werknemer/werkgever

Werkgever is geslaagd in het leveren van bewijs dat werknemer tijdens een vlucht de cockpit heeft verlaten en in de cabine van het vliegtuig heeft geslapen. De tijdsduur van het ‘slaapincident’ is niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een dringende reden. Terecht ontslag op staande voet.

De kantonrechter blijft bij hetgeen bij tussenvonnis van 11 maart 2015 is overwogen (zie AR 2016-1325) omtrent het op 2 april 2014 aan werknemer gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft aan werkgever de opdracht verstrekt te bewijzen dat werknemer op 25 maart 2014 tijdens een vlucht de cockpit heeft verlaten en ruim een uur heeft geslapen in de cabine van het vliegtuig. De kantonrechter heeft verder overwogen dat een deskundigenbericht noodzakelijk is, nu werknemer gemotiveerd heeft gesteld dat de door werkgever ter ondersteuning van haar standpunt in het geding gebrachte whatsappberichten met foto’s van de lege cockpitstoel afkomstig van de telefoon van de heer A (hierna: A) zijn gemanipuleerd. De deskundige heeft op 20 januari 2016 aan de kantonrechter gerapporteerd. Partijen hebben bij akte hun standpunten kenbaar gemaakt naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De originele foto’s van de lege cockpitstoel zijn door de deskundige niet aangetroffen op de telefoon van A. Aldus is niet met zekerheid vast te stellen wanneer die foto’s zijn genomen. Wel bevinden de foto’s zich op whatsappbestanden, maar wegens het ontbreken van metadata kan ook daaruit niet het moment van het nemen van de foto’s worden vastgesteld. De deskundige heeft geen sporen aangetroffen waaruit zou kunnen blijken dat de whatsappberichten en de datum en tijd van het verzenden zijn gemanipuleerd. De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat A of een derde deze berichten daadwerkelijk heeft gemanipuleerd, zodat ervan uit moet worden gegaan dat deze op 25 maart 2014 na de bewuste vlucht zijn verzonden. A, als getuige gehoord, bevestigt dat hij de whatsappberichten na de bewuste vlucht op 25 maart 2014 aan zijn moeder en de familieapp heeft gezonden, terwijl de ouders van A verklaren de berichten te hebben ontvangen. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever, door middel van getuigenverklaringen, geslaagd is in het leveren van bewijs dat werknemer op 25 maart 2014 tijdens de betreffende vlucht in de cabine van het vliegtuig heeft geslapen. Werkgever is er echter niet in geslaagd te bewijzen dat het ‘slaapincident’ ruim één uur heeft geduurd. Dit leidt tot het oordeel dat werkgever slechts gedeeltelijk is geslaagd in de aan haar verstrekte bewijsopdracht. De kantonrechter staat vervolgens voor de vraag welke consequenties daaraan dienen te worden verbonden. Het aan werknemer als dringende reden voor het ontslag genoemde feitencomplex dient, voor zover door werknemer betwist, in beginsel in zijn geheel in rechte vast te komen staan. Dit is slechts anders indien (a) het bedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden, (b) de werkgever heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij – anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende – daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en (c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest. De kantonrechter is van oordeel dat aan bovengenoemde criteria is voldaan. De kantonrechter overweegt daartoe dat werkgever in de ontslagbrief uitdrukkelijk heeft vermeld dat het slapen in de cabine als gevolg waarvan A ruim een uur in zijn eentje het vliegtuig heeft gevlogen in strijd is met de wet en de binnen werkgever geldende Operation Manuals, waarin staat vermeld dat het vliegtuig verplicht door twee piloten moet worden gevlogen. Aangenomen moet worden dat werknemer bekend was met bovengenoemde regelgeving en dat overtreding van die veiligheidsvoorschriften reden kan zijn voor een ontslag op staande voet. Aldus is de tijdsduur van het ‘slaapincident’ niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een dringende reden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het ontslag op staande voet van 2 april 2014 standhoudt en dat de vordering van werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet dient te worden afgewezen. De kantonrechter gaat over tot toewijzing van de fictieve schadevergoeding aan werkgever tot een bedrag gelijk aan drie maanden salaris te vermeerderen met vakantietoeslag, de grens waartoe tot matiging kan worden overgegaan.