Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 november 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:7912
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V./ondernemingsraad van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. c.s.
Binnen KLM zijn verschillende cao’s van toepassing, waaronder de CAO voor vliegers op vleugelvliegtuigen (hierna: de cao). De huidige cao is met VNV afgesloten en heeft een looptijd tot en met 31 december 2017. KLM heeft de uitvoering van de pensioenovereenkomsten met haar vliegers ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds Vliegend personeel KLM (hierna: het pensioenfonds). Op 26 september 2016 heeft KLM haar ondernemingsraad verzocht in te stemmen met het voorgenomen besluit van KLM om de pensioenregeling van de KLM-vliegers per 1 december 2016 onder te brengen bij een nieuw opgericht (of op te richten) ondernemingspensioenfonds, waarbij de premie op andere wijze zal worden berekend. De OR heeft laten weten dat zij niet instemt met het voorgenomen besluit. KLM verzoekt thans onder meer (voorlopige) toestemming te geven voor het vaststellen van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst – voor zover de volgende onderwerpen wijzigen: (1) de wijze waarop de premie wordt vastgesteld en (2) de keuze voor onderbrenging bij het nieuwe ondernemingspensioenfonds – per 1 december 2016. KLM heeft ter toelichting aangevoerd – kort gezegd – dat zij gelet op een dreigende bijstortingsverplichting van op termijn mogelijk € 600 miljoen voor de volledige indexatie van de pensioenen gedwongen was tot de ongebruikelijke stap om de uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds op te zeggen. Ook zij was liever bij het huidige pensioenfonds gebleven, maar het pensioenfonds wenst niet in te stemmen met een gewijzigde uitvoeringsovereenkomst, waarin tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van KLM tegen de dreigende bijstortingsverplichting.
De kantonrechters oordelen als volgt. Op de punten waarvoor KLM vervangende toestemming verzoekt, de wijziging van pensioenuitvoerder en de premievaststelling, heeft de OR in beginsel instemmingsrecht. Sinds 1 oktober 2016 schrijft artikel 27 lid 1 onderdeel a WOR immers voor dat de werkgever bij een voorgenomen besluit ter zake de regelingen op grond van een pensioenovereenkomst instemming van de OR dient te verkrijgen. In artikel 27 lid 7 WOR is voorts vastgelegd dat regelingen over de wijze waarop de premie wordt vastgesteld en de keuze voor de onderbrenging bij een bepaalde pensioenuitvoerder in ieder geval onder het bereik van het instemmingsrecht vallen. Artikel 27 lid 3 WOR maakt hierop echter een uitzondering, voor zover de betrokken aangelegenheid reeds inhoudelijk is geregeld. VNV en de OR hebben beide betoogd dat van deze uitzondering sprake is. Hun standpunt wordt gevolgd. Uit de tekst van de cao blijkt onmiskenbaar dat partijen daarin zijn overeengekomen dat het huidige ondernemingspensioenfonds de pensioenuitvoerder is van de pensioenovereenkomsten tussen KLM en haar vliegers. Niet alleen zijn de bewoordingen van artikel 1.14 van de cao met betrekking tot de definitie van het pensioenfonds helder: daaronder wordt verstaan de Stichting Pensioenfonds Vliegend personeel KLM. Ook artikel 10.9 van de cao, waarin wordt bepaald dat de vlieger deelneemt in ‘het Pensioenfonds’ is niet voor andere uitleg vatbaar. De verschillende leden van artikel 10.9 van de cao kunnen in onderlinge samenhang niet anders begrepen worden dan dat hier geregeld is bij welk pensioenfonds de pensioenen van de vliegers zijn ondergebracht. Dit betekent dat is voldaan aan artikel 27 lid 3 WOR, waarin is geregeld dat de instemming van de OR niet is vereist indien de betrokken aangelegenheid, in casu de pensioenuitvoerder, reeds inhoudelijk is geregeld in een cao. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat KLM niet de vrijheid heeft om, nu het overleg met VNV kennelijk in een impasse verkeert, zich buiten de vakbond om te wenden tot de OR om instemming te verkrijgen voor het vaststellen van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst als door haar verzocht. Het verzoek van KLM wordt dan ook afgewezen.