Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 7 december 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:16878
werkneemster/werkgever
Werkneemster is sinds 1985 in dienst als haarstyliste. In 2014 en 2015 hebben zich conflicten en incidenten voorgedaan. Tussen partijen is in geschil of op 29 januari 2016 overeenstemming is bereikt over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2016. Werkneemster stelt van niet, omdat partijen de overeenkomst niet zelf hebben getekend. Dit betekent in de visie van werkneemster dat niet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW is voldaan en dat dus de bedenktermijn ingevolge artikel 7:670b lid 2 BW niet is aangevangen op 29 januari 2016.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de wettekst volgt dat de beëindigingsovereenkomst schriftelijk moet zijn aangegaan. Niet duidelijk is of een bereikte schriftelijke overeenstemming tussen de gemachtigden van partijen moet worden gevolgd door een door beide partijen zelf ondertekende vaststellingsovereenkomst. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis wordt geoordeeld dat het schiftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW niet zover gaat dat de bedenktermijn pas gaat lopen na ondertekening door partijen van de vaststellingsovereenkomst. Een zo vergaande afwijking van het reguliere contractenrecht en het systeem van aanbod en aanvaarding zou, zo de wetgever dat heeft bedoeld, in de wet of in ieder geval in de wetsgeschiedenis zijn genoemd. Aan het schriftelijkheidsvereiste ligt ten grondslag ‘dat in het vereiste van een geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de voor hem bezwarende consequenties van dit bezwarende beding goed heeft overwogen’ (HR 28 maart 2008, JIN 2008/288). Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat met mededelingen per WhatsApp en met akkoordverklaringen per e-mail voldaan kan worden aan het schriftelijkheidsvereiste. Bij e-mail van 29 januari 2016 (17:07 uur) heeft de gemachtigde van werkneemster de overeenstemming bevestigd. Op grond van deze mail is voldoende komen vast te staan dat overeenstemming is bereikt. Er was immers overeenstemming over de essentialia van de beëindigingsovereenkomst. Het betoog van werkneemster dat uit de mail van 29 januari 2016 niet kan worden opgemaakt of de gemachtigde van werkneemster haar ook over de beoogde regeling had geïnformeerd en of werkneemster zelf ook haar instemming aan een regeling had gegeven verwerpt de kantonrechter. Werkneemster heeft zich immers gedurende de onderhandelingen laten bijstaan door een gemachtigde. Slotsom is dat de bedenktermijn op 29 januari 2016 is aangevangen en dus al was verstreken op het moment dat werkneemster daarvan gebruik wilde maken.