Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 december 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:5580
werkneemster/werkgever
Werkneemster is vanaf 22 maart 2010 in dienst bij Ergotherapiepraktijk X. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Op 20 april 2015 heeft werkneemster aan X laten weten dat zij zich per 8 april 2015 als zelfstandige ergotherapiepraktijk heeft ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel. Op 10 juni 2015 heeft zij zich ziek gemeld. X verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g-grond. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen, met toekenning van de transitievergoeding aan werkneemster. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat werkneemster op 20 april 2015 aan X heeft meegedeeld dat zij haar eigen praktijk wilde starten en dat zij zich op 8 april 2015 als zelfstandige ergotherapiepraktijk heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op 1 juni 2016 heeft zij vervolgens een tweede vestiging ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vast staat verder dat werkneemster op 22 mei 2015 de e-mail heeft verzonden aan relaties en contacten van X. Daarin deelt zij expliciet mee dat zij een eigen ergotherapiepraktijk is gestart en dat zij de komende periode haar werkzaamheden bij X zal afbouwen. Tevens heeft werkneemster erkend dat partijen vóór de ziekmelding van werkneemster op 10 juni 2015 gesprekken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben gevoerd. Uit voormelde feiten volgt dat partijen in het licht van de wens van werkneemster om zich te vestigen als zelfstandig ergotherapeute en de door haar reeds verrichte uitvoeringshandelingen in dat kader niet meer met elkaar verder wilden. Zij hadden alleen nog geen precieze afspraken gemaakt over de wijze en de termijn waarop de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. De verstoring van de arbeidsverhouding is in de gegeven omstandigheden erin gelegen dat werkneemster zich als zelfstandige heeft gevestigd, zij als gevolg daarvan niet meer op dezelfde wijze met X verder wilde gaan en partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de wijze en de termijn waarop de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. Vervolgens heeft werkneemster zich ziek gemeld. Na haar ziekmelding is zij voortgegaan op de door haar ingeslagen weg als zelfstandig gevestigd ergotherapeute. Werkneemster heeft ter zitting meegedeeld dat zij vanaf 15 november 2015 werkzaamheden verricht voor haar eigen praktijk, inmiddels vier uur per dag. Voorts is ter zitting gebleken dat er geen vruchtbare grond voor samenwerking meer is tussen partijen. Aldus is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van X in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst houdt geen verband met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft. Zoals hiervoor is vermeld, vindt de verstoorde arbeidsverhouding niet haar oorsprong in de ziekte van werkneemster, maar in de wens van werkneemster om een eigen praktijk te starten en de daadwerkelijke uitvoering daarvan als gevolg waarvan partijen niet meer (op dezelfde manier) met elkaar verder wilden. Dat alles vond plaats vóór de ziekmelding van werkneemster. Werkneemster heeft geen recht op een billijke vergoeding. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit immers voort dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat X het loon tijdelijk niet tijdig heeft betaald, was een gevolg van het oordeel van de bedrijfsarts. X mocht redelijkerwijs van de juistheid van dat oordeel uitgaan. Werkneemster heeft tot slot verzocht het concurrentiebeding te vernietigen. Ingevolge artikel 7:653 lid 3 (oud) BW kan de werkgever aan het concurrentiebeding geen rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is. Hiervoor is reeds vastgesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van X. Aan de eisen van lid 3 is derhalve niet voldaan. Werkneemster wordt bovendien niet onbillijk benadeeld door het concurrentiebeding. Het concurrentiebeding is territoriaal beperkt tot 10 km, gerekend vanuit de vestigingsplaats van de werkgever, en is in duur beperkt tot zes maanden na beëindiging van het dienstverband. Werkneemster wordt hierdoor niet onredelijk belemmerd om een eigen ergotherapiepraktijk op te richten. Daarnaast is het oprichten van een eigen praktijk bij uitstek een situatie waarvoor het concurrentiebeding X bescherming beoogt te bieden.