Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 januari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:33
werkgever/werknemer
Werkneemster is sinds 2003 in dienst bij werkgever. Op 16 januari 2012 heeft werkneemster in een gesprek met werkgever aangegeven dat zij één dag in de week minder wil gaan werken. Werkgever heeft aan werkneemster gevraagd om een schriftelijk verzoek daartoe bij hem in te dienen. Werkneemster heeft dit verzoek ingewilligd. Bij brief van 30 januari 2012 heeft werkgever aan werkneemster bericht dat zij bereid is het voorstel tot werktijdvermindering toe te passen vanaf 1 maart 2012. Werkgever heeft werkneemster vanaf 1 maart 2012 een salaris overeenkomend met een arbeidsduur van 30 uur per week betaald. Bij beschikking van 18 december 2012 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden. Werkneemster vordert onder meer achterstallig loon over de periode 1 maart 2012 t/m 31 december 2012 en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt.
Verzoek ex artikel 2 WAA?
Partijen houdt verdeeld de vraag of zij een arbeidsduurvermindering van 7,5 uur per week, namelijk van 37,5 uur per week naar 30 uur per week, ingaande 1 maart 2012, zijn overeengekomen. Blijkens de brief d.d. 17 januari 2012 van werkneemster is – mede gezien de onderwerpregel en de eerste volzin daarvan – sprake van een verzoek harerzijds om één dag per week minder te gaan werken, hetgeen neerkomt op een arbeidsduurvermindering van 7,5 uur per week. Van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur ex artikel 2 van de Wet aanpassing arbeidsduur (hierna: WAA), zoals die wet gold van 1 juni 2005 tot en met 31 december 2014, is geen sprake, reeds nu het verzoek van werkneemster niet voldoet aan het vereiste van artikel 2 lid 3 WAA dat het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur het beoogde tijdstip van ingang vermeldt. Uitgaande van het door werkgever gestelde door werkneemster gewenste tijdstip van ingang van de arbeidsduurvermindering van 1 februari 2012 althans 1 maart 2012, is evenmin voldaan aan het vereiste van artikel 2 lid 3 WAA, dat het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur ten minste vier maanden vóór het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing moet zijn gedaan. Dat voormeld artikellid dient ter bescherming van de belangen van de werkgever, maakt niet dat alsnog sprake is van een rechtsgeldig verzoek ex artikel 2 WAA. De WAA beoogt werknemers een wettelijke aanspraak te bieden op aanpassing van de arbeidsduur. Nergens blijkt uit dat werkneemster een verzoek als bedoeld in de WAA wilde doen. Zij heeft slechts voldaan aan de vraag van werkgever om een schriftelijk verzoek bij hem in te dienen. Het verweer van werkgever tegen de vorderingen van werkneemster voor zover dit is gebaseerd op de WAA faalt dus.
Overeenkomst ex artikel 6:217 BW?
Evenmin is ex artikel 6:217 BW tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen inzake de arbeidsduurvermindering. Te dien aanzien wordt als volgt overwogen. De brief van werkneemster van 17 januari 2012 kan, gezien het in de slotzin daarvan gemaakte nadrukkelijke voorbehoud, niet als een definitieve aanvraag tot vermindering van de arbeidsduur worden gezien; laat staan een aanvraag tot vermindering per 1 maart 2012, nu een ingangsdatum door werkneemster niet wordt genoemd. Op basis van de voorliggende stukken is in onvoldoende mate vast komen te staan dat tussen partijen is overeengekomen dat de arbeidstijd van werkneemster per 1 maart 2012 zou worden teruggebracht van 37,5 uur per week naar 30 uur per week, zodat de kantonrechter werkgever overeenkomstig diens bewijsaanbod terecht in de gelegenheid heeft gesteld bewijs hiervan te leveren. Werkneemster maakt vanaf 1 maart 2012 aanspraak op niet door werkgever aan haar betaald salaris voor 7,5 uren per week, rekening houdend met een korting wegens ziekte van 25% respectievelijk 30%.
Vergoeding buitengerechtelijke incassokosten?
De vordering van werkneemster tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Werkneemster heeft de onderhavige vordering onvoldoende concreet onderbouwd. Het voeren van correspondentie, telefoongesprekken en besprekingen, zoals dit zijdens werkneemster is gedaan, behoren tot de normale handelingen ter instructie van de zaak zoals bedoeld in artikel 241 Rv., zodat ze geen buitengerechtelijke kosten vormen.