Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 4 januari 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:65
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is in oktober 2014 bij werkgeefster als trainee begonnen. Per 1 februari 2015 is zij op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden voor zes maanden in de functie van medewerkster buitendienst. In de arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding opgenomen. Per 1 augustus 2015 is een arbeidsovereenkomst voor één jaar gesloten met een gelijkluidend studiekostenbeding. Met ingang van 1 augustus 2016 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan in de functie van assistent-makelaar (ARMT). Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst tegen 1 december 2016 opgezegd. Werkgeefster heeft het salaris over de maand november 2016 verrekend met de door haar ten laste van werkneemster gemaakte studiekosten. Kern van het geschil is de vraag of werkgeefster hiertoe gerechtigd is.
Oordeel
Uitleg studiekostenbeding
De uitleg van werkneemster, dat onder het studiekostenbeding alleen opleidingen vallen die uitsluitend op haar eigen initiatief worden gevolgd en gewenst worden, wordt niet gevolgd. Een dergelijke beperkte uitleg valt in het beding niet te lezen, het woord initiatief komt in de bepaling niet voor en dat partijen een dergelijke uitleg hebben bedoeld, dan wel dat werkneemster dat heeft mogen begrijpen, is door haar in dit geding niet aannemelijk gemaakt. Daarmee is niet te verwachten dat de bodemrechter deze beperkte lezing van het beding als door werkneemster wordt voorgestaan, zal volgen.
Studiekosten arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
Naar het oordeel van de kantonrechter moet de vraag of werkgeefster een beroep toekomt op het studiekostenbeding beoordeeld worden op basis van het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW). Bij die beoordeling dient een onderscheid te worden gemaakt naar het in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voorkomende studiekostenbeding en het beding dat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt opgenomen. De last die een studiekostenbeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd meebrengt, is in beginsel immers een stuk zwaarder en de kans dat een werknemer met de nadelige effecten daarvan wordt geconfronteerd is aanmerkelijk groter, omdat de kans dat het beding effect zal krijgen groter is. Dat betekent dat van een goed werkgever verwacht mag worden dat deze, indien een dergelijk beding is opgenomen, voorafgaand aan de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst de werknemer daarop nadrukkelijk wijst, maar ook dat deze bij het aangaan van studiekosten de werknemer er nogmaals expliciet op wijst dat het volgen van die opleiding op korte termijn een terugbetalingsverplichting met zich kan brengen. Bij die verplichting van de werkgever in de omstandigheid van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd past ook dat de werkgever voorafgaand aan de opgave voor de cursus met werkneemster de precieze kosten van de opleiding bespreekt, zodat het de werknemer duidelijk is welk financieel risico wordt genomen. Dat daarbij ook de kansen op voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan de orde zullen komen ligt voor de hand. Bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd reiken de verplichtingen van de werkgever minder ver, nu de kans dat in die situatie een terugbetalingsverplichting ontstaat minder prominent is. Bij de beoordeling in de onderhavige zaak is niet aannemelijk geworden dat werkgeefster werkneemster bij de cursussen die door haar zijn gevolgd ten tijde van de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op de consequenties van het volgen daarvan heeft gewezen en de kosten specifiek met werkneemster heeft besproken. Voorshands is voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat werkgeefster bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst deze studiekosten niet bij werkneemster in rekening kan brengen. In zoverre zijn de vorderingen van werkneemster toewijsbaar.
Studiekosten arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd
Bij de kosten van de opleiding KRMT heeft te gelden dat blijkens de stukken deze opleiding is aangevraagd op een moment dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd inmiddels getekend was. Voldoende aannemelijk is geworden dat voorafgaand aan het volgen van de KRMT-opleiding over het volgen van die opleiding is gesproken. Blijkens het functioneringsformulier van 21 april 2016 is ook voldoende aannemelijk geworden dat het betoog van werkneemster dat zij deze opleiding van werkgeefster moest volgen en het niet (ook) een wens van haar was, geen stand houdt. Bij de vraag of werkgeefster terecht de kosten van de KRMT-opleiding in rekening heeft gebracht bij werkneemster speelt ook een belangrijke rol dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkneemster is beëindigd op een moment dat de opleiding, een tweejarige makelaarsopleiding, feitelijk nog nauwelijks door werkneemster was aangevangen en werkgeefster derhalve niet heeft kunnen ‘genieten’ van de door werkneemster daarbij opgedane vaardigheden. Dat werkgeefster door de werkzaamheden van werkneemster extra omzet heeft genoten is in de belangenafweging geen element dat een doorslaggevende rol kan spelen, alleen al niet nu dit onvoldoende relatie heeft met de KRMT-opleiding, omdat deze nog nauwelijks was gevolgd door werkneemster. Werkgeefster heeft niet in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld door de (verminderde) kosten die verband houden met de KRMT-opleiding op basis van het studiekostenbeding bij werkneemster in rekening te brengen.
Conclusie
Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van € 2771,13 bruto, verminderd met € 961,84 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke verhoging over deze hoofdsom als bedoeld in artikel 7:625 BW met een maximum van 25%. Het studiekostenbeding in de tijdelijke arbeidsovereenkomsten wordt geschorst totdat in een bodemprocedure ten aanzien van het studiekostenbeding bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis uitspraak is gedaan.