Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 januari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:47
werkgever/werknemer
Werkgever is importeur van en groothandel in groente en fruit. Werknemer is op 13 oktober 1998 in dienst getreden bij werkgever en was laatstelijk werkzaam als commercieel medewerker. Werkgever en werknemer hebben een arbeidsovereenkomst, gedateerd 30 januari 2014, ondertekend, waarin een concurrentiebeding is opgenomen. Werknemer heeft bij e-mail van 21 april 2016 zijn arbeidsovereenkomst met werkgever opgezegd tegen 1 juni 2016. Hij is werkzaamheden gaan verrichten voor de op 18 april 2016 opgerichte onderneming Fresh2You B.V. (hierna: Fresh2You) in plaats X. Fresh2You is ook een groothandel in groente en fruit. In de onderhavige procedure heeft werkgever onder meer gevorderd in de voorlopigevoorzieningenprocedure (art. 223 Rv) werknemer te verbieden om van 1 juni 2016 tot 1 juni 2017 werkzaam te zijn als bedoeld in het concurrentiebeding. De kantonrechter heeft, in het (tussen)vonnis waarvan beroep, in de voorlopigevoorzieningenprocedure de vorderingen van werkgever afgewezen. Werkgever heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis in de voorlopigevoorzieningenprocedure. Zij heeft, zo begrijpt het hof, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis ex artikel 223 Rv en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is voor 1 januari 2015 tot stand gekomen, zodat op grond van de Overgangsbepaling XXIIc van de Wet werk en zekerheid artikel 7:653 (oud) BW van toepassing is zoals dat voor 1 januari 2015 luidde.
Het hof overweegt als volgt. Voor de uitleg van de bewoordingen van het onderhavige concurrentiebeding geldt de zogenaamde Haviltex-norm. Werknemer heeft in eerste aanleg subsidiair het verweer gevoerd dat hem meerdere malen uitdrukkelijk te verstaan is gegeven door betrokkene 1, 2 en 3 (van werkgever), dat het hem vrijstond om buiten vestigingsplaats Y en in vestigingsplaats X te werken. Op basis van deze toezeggingen mocht hij erop vertrouwen dat hij in vestigingsplaats X onbelemmerd en ongehinderd kon werken als groente- en fruithandelaar. Werkgever heeft betwist dat werknemer met betrokkene 3 zou hebben afgesproken dat het concurrentiebeding alleen zou zien op de plaats Y, althans dat betrokkene 3 zich dit niet kan herinneren, maar zij heeft deze betwisting op geen enkele wijze onderbouwd. Deze andersluidende (veronder)stelling van werkgever is, zonder gemotiveerde toelichting die ontbreekt, voorshands onvoldoende om het gemotiveerde verweer van werknemer te weerleggen. Werkgever heeft niet betwist dat betrokkene 2 en/of betrokkene 1 in 2015 en 2016 toestemming aan werknemer zou(den) hebben gegeven om in vestigingsplaats X te gaan werken. Nu werknemer gemotiveerd heeft betoogd dat hij op basis van de aan hem gedane toezeggingen erop mocht vertrouwen dat hij in vestigingsplaats X kon gaan werken, gaat het hof in deze voorlopigevoorzieningenprocedure ook voorbij aan deze, eveneens niet nader onderbouwde stelling van werkgever. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer zijn subsidiaire (bevrijdende) verweer, inhoudende dat hem te verstaan is gegeven dat het hem vrijstond in vestigingsplaats X te werken, in het kader van deze voorlopigevoorzieningenprocedure voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is voorshands onvoldoende aannemelijk dat een vordering van werkgever tot nakoming van het concurrentiebeding en het daarbij behorende boetebeding door een bodemrechter (gedeeltelijk) zal worden toegewezen. De slotsom is dat, al zou een van de grieven van werkgever slagen, dit niet tot andere beslissingen leidt dan in het bestreden vonnis zijn genomen. De vordering van werkgever in de voorlopigevoorzieningenprocedure, samengevat om werknemer te verbieden van 1 juni 2016 tot 1 juni 2017 werkzaam te zijn als bedoeld in het concurrentiebeding, geldend voor heel Nederland en voor Fresh2You, op straffe van een dwangsom en een voorschot op verbeurde boetes, zijn terecht afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.