Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 januari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:32
Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten/Synapsis B.V.
Feiten
In de onderhavige procedure stelt de SNCU (hierna: de Stichting) zich op het standpunt dat Synapsis onder de werkingsfeer van de CAO voor Uitzendkrachten valt. Synapsis is in 1993 ontstaan vanuit een particulier initiatief. Als een ‘leer˗werk’-programma voerde zij met personen met een achterstand op de arbeidsmarkt, die in haar dienst werden genomen, projecten uit bij derden. Deze personeelsleden werden op de werkvloer intensief gestuurd en begeleid door een meewerkend voorman, die ook in dienst was bij mevrouw X (particulier initiatief). In 1997 is Synapsis opgericht en is de eenmanszaak daarin ingebracht. Als gevolg van de groei van de opdrachten was het niet langer mogelijk deze uit te voeren door het inzetten van de genoemde werknemers met een achterstand op de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn ‘reguliere’ werknemers uit Nederland aangenomen. Omdat deze vaak niet bereid waren langer dan 1-2 dagen de werkzaamheden te verrichten, heeft Synapsis ervoor gekozen te gaan werken met Polen, die eveneens de Duitse nationaliteit bezaten. Vanaf begin 2007 is zij uitsluitend gaan werken met Poolse werknemers. Dit duurt tot heden voort. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van de Stichting afgewezen en de Stichting in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter overwoog daartoe, samengevat, dat de Stichting er niet in geslaagd is aan te tonen dat leiding en toezicht op de door de werknemers van Synapsis verrichte werkzaamheden bij de opdrachtgever lag, zodat niet is komen vast te staan dat sprake is van uitzendovereenkomsten.
Oordeel gerechtshof – leiding en toezicht (niet?) bij derde
Bij de totstandkoming van artikel 7:690 BW is in de parlementaire stukken niet toegelicht wat moet worden verstaan onder het begrip ‘toezicht en leiding van de derde’. Het hof zal daarvoor aansluiting zoeken bij het gezagsvereiste als bedoeld in artikel 7:610 BW (HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356 en HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2757). Beantwoord dient derhalve te worden de vraag of er sprake is van werkgeversgezag van de opdrachtgever(s) van Synapsis over de werknemers van Synapsis dat van dien aard is dat deze werknemers de arbeid verrichten onder toezicht en leiding van deze opdrachtgever(s) in de zin van artikel 7:690 BW. Of er sprake is van dergelijk werkgeversgezag is voorts een feitelijke vraag, in die zin dat het gaat om feitelijk werkgeversgezag. Aan de hand van feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld bij wie toezicht en leiding liggen. Synapsis heeft in haar ontstaansgeschiedenis wisselende uitspraken gedaan over de rechtsverhouding tot haar werkers. Soms aanneming van werk, soms contracting en dan weer uitzending. In het licht van de onduidelijkheid over de kwalificatie van de onderhavige arbeidsrechtelijke driehoeksverhoudingen, komt naar het hof van oordeel is aan hoe deze door Synapsis in de loop der jaren zelf zijn genoemd onvoldoende betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van uitzending. Volgens Synapsis kan de sectorbeoordeling en -indeling die indertijd (in 2003) door het UWV/GAK is verricht een aanwijzing vormen voor de vraag of Synapsis wel of niet als uitzendbureau kan worden aangemerkt. Waar het evenwel in deze zaak om gaat, is of aan de hand van feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld bij wie toezicht en leiding liggen in de onderhavige arbeidsrechtelijke driehoeksverhoudingen zodat kan worden bepaald of sprake is van uitzendovereenkomsten. Daarbij merkt het hof nog op dat als er sprake is van aanneming van werk, er per definitie geen sprake is van uitzending, maar dat het niet aan Synapsis is aan te tonen dat er sprake is van aanneming van werk. Ook is het niet aan haar om aan te tonen dat er sprake is van contracting, wat daar volgens haar ook onder moet worden verstaan. De zinsnede ‘zullen richten naar aanbod van werk en vraag van de opdrachtgever’ zou weliswaar een aanwijzing kunnen zijn dat contractueel leiding en toezicht bij de derde is gebongen, maar enige informatie en nadere onderbouwing ontbreekt over hoe het toezicht en de leiding feitelijk hebben plaatsvonden in de desbetreffende gevallen. De zinnen over de bedrijfs- en veiligheidsregels en de werkkleding, schoenen en materieel, bieden als zodanig evenmin voldoende steun voor de stelling van de Stichting, omdat deze bepalingen in zoverre onderscheidend vermogen missen. Daarnaast overweegt het hof dat, zou wel moeten worden geoordeeld dat Synapsis (ook) uitzendovereenkomsten sluit met haar opdrachtgevers, daarmee nog niet als zodanig en zonder meer vaststaat dat Synapsis onder de werkingssfeer van de cao’s valt. Tegenover de betwisting door Synapsis dat de omvang van de uitzendsom ten minste 50% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis van haar onderneming bedraagt, heeft de Stichting onvoldoende nader (gemotiveerd) aangevoerd, reden waarom de Stichting naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht heeft voldaan.