Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 28 december 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:11411
werkneemster/Immo Service Verweijst B.V.
Feiten
Werkneemster is sinds 4 februari 2013 krachtens een arbeidsovereenkomst die door het verstrijken van de bepaalde tijd is geëindigd op 28 februari 2016 in dienst geweest van werkgever. Werkgever heeft het loon over de periode van 13 november 2015 tot 28 februari 2016 onbetaald gelaten, stellende dat werkneemster zich (te laat) ziek heeft gemeld terwijl zij niet werkelijk door ziekte verhinderd was om werkzaamheden te verrichten. Werkneemster stelt primair dat de oorzaak waardoor zij niet heeft gewerkt in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt, als bedoeld in artikel 7:628 lid 1 BW, zodat zij haar recht op loon heeft behouden. Subsidiair stelt zij dat zij wel degelijk ziek was, zodat zij krachtens artikel 7:629 lid 1 BW haar recht op loon heeft behouden. Werkgever voert verweer en stelt dat ten minste van werkneemster kon worden gevergd een deskundigenbericht althans enig bewijs van haar arbeidsongeschiktheid over te leggen, zeker nu gebleken is dat zij in de betrokken periode wel bij haar andere werkgever heeft gewerkt.
Oordeel
Bij een vordering tot betaling van loon over een periode van ziekte behoort volgens artikel 7:629a lid 1 BW een verklaring van een deskundige benoemd door het UWV – ook wel second opinion genoemd – te worden overgelegd waaruit van de verhindering om te werken blijkt, tenzij dit in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. Weliswaar kan zo’n second opinion ook worden gevraagd bij het ontbreken van een first opinion (het oordeel van de bedrijfsarts althans van enige arts) maar onder de omstandigheden van dit geval kon van werkneemster in redelijkheid niet gevergd worden zich van een verklaring van een UWV-deskundige te voorzien. De omstandigheden zijn aldus dat werkgever – in strijd met zijn verplichting krachtens artikel 14a lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet om zich met betrekking tot zijn taken van artikel 14, waaronder de begeleiding van arbeidsongeschikte werknemers, te laten bijstaan door een arbodienst – geen overeenkomst met een arbodienst heeft, noch de beschikking heeft over andere deskundigen die een door hem betwiste ziekte van een werknemer kunnen controleren. Overigens heeft werkneemster, zij het eerst bij haar akte van 23 november 2016, in de vorm van een brief van haar huisarts wel enig bewijs overgelegd van de juistheid van haar stelling dat zij (in elk geval bij het consult op 4 december 2015) arbeidsongeschikt was, door problemen op het werk. Aan de hiervoor genoemde verplichting krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, die ook in het algemeen tot de verplichtingen van een goed werkgever behoort, kan deze werkgever zich niet onttrekken met een beroep op het ontbreken van financiële draagkracht. Het gevolg van de niet-voldoening aan die verplichting is geweest dat de werkgever zijn betwisting van het waarheidsgehalte van de ziekte van de werknemer niet heeft kunnen staven. Dit betekent dat de oorzaak waardoor de werknemer niet heeft gewerkt – namelijk het beroep van de werknemer op ongeschiktheid daartoe ten gevolge van ziekte, waarvan de juistheid niet kon worden vastgesteld – in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt. Werkneemster heeft dus haar aanspraak op loon behouden.