Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting MC Astmacentrum
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 maart 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:1534

werkneemster/Stichting MC Astmacentrum

Overgang van onderneming. Afwijzing ontbindingsverzoek van werknemer, omdat geen aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer wordt vastgesteld.

Feiten

Werkneemster is op 1 juli 1989 bij de Nederlandse (private stichting) Merem Behandelcentra in dienst getreden om in het astmabehandelcentrum van Merem werkzaamheden te verrichten. Het laatstsgenoten salaris van werkneemster bedraagt € 2862,20 bruto, exclusief bijkomende vergoedingen. Merem is per 1 juli 2016 overgenomen door de (eveneens private stichting) MCA. De medewerkers van Merem zijn op grond van artikel 7:662 BW, een overgang van onderneming, naar MCA overgegaan. Een deel van de werknemers van Merem, met diverse nationaliteiten, was bij Merem werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst naar Zwitsers recht. De arbeidsovereenkomsten met die medewerkers zijn in wederzijds goedvinden geëindigd en ze zijn in dienst getreden bij een nieuw opgerichte Zwitserse vennootschap, geheten NAD Healthcare AG. De medewerkers met een contract naar Nederlands recht, waaronder werkneemster, zijn in dienst bij MCA gekomen. Dat betreft ongeveer zes medewerkers. Het doel was ook deze werknemers op den duur in dienst te laten treden bij de Zwitserse vennootschap. Bij brief van 12 december 2016 heeft Merem werkneemster bevestigd dat het dienstverband met Merem per 20 juni 2016 was geëindigd en dat in december 2016 vakantiegeld en eindejaarsuitkering opgebouwd bij Merem zouden worden uitgekeerd.

Oordeel

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op de in artikel 7:665 onderdeel a BW – waarin artikel 4 lid 2 Richtlijn 2001/23 is uitgewerkt – genoemde grond, namelijk dat de overgang van onderneming van Merem naar MCA een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van werkneemster ten gevolge heeft. Alleen dan kan werkneemster aanspraak maken op een (transitie)vergoeding, nu werkneemster niets heeft gesteld – en de kantonrechter ook anderszins niet is gebleken – met betrekking tot ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van MCA. Overwogen wordt dat MCA tot heden geen enkele wijziging in de arbeidsvoorwaarden van werkneemster heeft voorgesteld of eenzijdig heeft doorgevoerd. Hetzelfde geldt voor het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst naar Zwitsers recht. Bij dat overleg gelden de gewone regels van het Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht en dus dient MCA daarover eerst met werkneemster tot overeenstemming te komen. Dat werkneemster geen vertrouwen in MCA heeft of dat werkneemster (gegrond of ongegrond) de vrees heeft dat in de toekomst op enig moment door MCA een nadelige wijziging van haar arbeidsvoorwaarden zal worden voorgesteld, is niet voldoende om het verzoek van werkneemster op toe te wijzen. Dat de A1-verklaring zal worden verleend of worden geweigerd, is nog niet duidelijk. Wat dat betreft is het verzoek van werkneemster prematuur. Maar zelfs als de verklaring geweigerd wordt, betekent dat nog niet dat deswege de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden onder toepassing van artikel 7:665 onderdeel a BW. Alsdan moet eerst worden bezien wat de redenen en de gevolgen van de weigering zijn, en of er een aanmerkelijke nadelige wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor werkneemster uit voortvloeit, die aan de overgang van onderneming is toe te schrijven. Naar het oordeel van de kantonrechter is al met al onvoldoende komen vast te staan dat als gevolg van de overgang van onderneming de arbeidsvoorwaarden van werkneemster aanmerkelijk zijn gewijzigd of zich – binnen afzienbare tijd – zullen wijzigen in een voor werkneemster nadelige zin. Het verzoek van werkneemster zal dan ook worden afgewezen, waarbij de kantonrechter het verzoek van werkneemster zo begrijpt dat zij alleen ontbinding wenst onder toekenning van de transitievergoeding en anders niet.