Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/IB Trade B.V.
Rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:936

werknemer/IB Trade B.V.

Werknemer verzoekt billijke vergoeding na ontslag op staande voet. Werkgever krijgt bewijsopdracht ten aanzien van de dringende reden, aanhouding verdere beslissing.

Feiten

IB-Trade is een groothandel in de (vlees- en visverwerkings)machine- en genotsmiddelenindustrie. Werknemer is medio oktober 2012 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) IB-Trade, in de functie van office/sales manager. Op 29 september 2016 heeft werknemer zijn eenmanszaak bedrijfsnaam 1 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment. Tijdens een gesprek op 9 november 2016 heeft IB-Trade werknemer geschorst voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in verband met – kort gezegd – het vermoeden van verrichting van concurrerende werkzaamheden. Op 16 november 2016 heeft werknemer de brief van 15 november 2016 ontvangen, waarin IB-Trade aan werknemer mededeelt dat hij op staande voet is ontslagen. Over de periode van 1 tot 15 november 2016 heeft IB-Trade geen loon aan werknemer betaald.

Oordeel

Werknemer heeft verzocht het gewijzigde verweerschrift en tegenverzoek van 7 februari 2017 met producties van IB-Trade buiten beschouwing te laten. Op grond van artikel 282 lid 1 en lid 4 Rv is de herziene versie van het verweerschrift en het tegenverzoek met producties tijdig ingediend. Het gaat in deze zaak om de vraag of het door IB-Trade aan werknemer gegeven ontslag op staande voet onregelmatig is gegeven en of IB-Trade moet worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding, alsmede een schadevergoeding vanwege een onregelmatige opzegging. Op 9 november 2016 is werknemer geconfronteerd met het vermoeden dat hij tijdens het dienstverband met IB-Trade, al dan niet tezamen met een voormalig medewerknemer, concurrerende werkzaamheden zou hebben verricht. In de periode van 9 tot 15 november 2016 heeft IB-Trade onderzoek gedaan naar de werkzaamheden van werknemer. De kantonrechter begrijpt dat het gesprek van 15 november 2016 was bedoeld om werknemer te confronteren met de door IB-Trade gedane bevindingen en om hem in de gelegenheid te stellen zijn visie te geven. Diezelfde dag is zij tot ontslag op staande voet overgegaan, zodat IB-Trade voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het ontslag op staande voet is derhalve onverwijld gegeven. Tussen partijen staat ter discussie welke redenen aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd. In de ontslagbrief worden concrete omstandigheden genoemd die, zowel op zichzelf als in samenhang beschouwd, voor IB-Trade een dringende reden zijn geweest voor het ontslag op staande voet. Dit brengt mee dat de in de ontslagbrief medegedeelde redenen de ontslaggrond fixeren en dat de andere door IB-Trade genoemde gedragingen niet mogen worden meegewogen bij de vraag of het ontslag terecht was. Vervolgens ligt ter beantwoording de vraag voor of sprake is van een dringende reden. Op IB-Trade rust de stelplicht en de bewijslast van de door haar gegeven dringende redenen. IB-Trade heeft ter onderbouwing van haar stelling over het verwijtbaar handelen van werknemer betreffende de Grader een gespreksverslag van 2 januari 2017 in het geding gebracht van een bespreking met C. Daarnaast heeft IB-Trade een e-mail van 11 november 2016 in het geding gebracht waaruit blijkt dat werknemer contact zou hebben gehad met bedrijfsnaam 3 over de verkoop van de Grader. Dit voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter evenwel onvoldoende om thans het bewijs (voorshands) geleverd te achten, nu werknemer de gegeven dringende reden gemotiveerd betwist. Omdat de aard van de procedure (een bodemzaak) zich niet verzet tegen toepasselijkheid van het bewijsrecht als geregeld in de artikelen 149 tot en met 207 Rv en het bewijsrecht uit de dagvaardingsprocedure op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing is op de verzoekschriftprocedure, zal, ten behoeve van de waarheidsvinding, IB-Trade overeenkomstig haar bewijsaanbod, worden toegelaten tot het leveren van bewijs. Iedere verdere beslissing zal, uit proceseconomisch oogpunt, worden aangehouden.