Rechtspraak
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is van 1 april 2013 tot 31 juli 2016 als expediteur in dienst geweest van werkgever. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 31 juli 2016. Werknemer vordert thans veroordeling van werkgever tot betaling van achterstallig salaris en een eindafrekening. Werkgever vordert onder meer een verklaring voor recht dat werkgever een bedrag van € 4946,10 onverschuldigd heeft betaald aan werknemer, alsmede veroordeling van werknemer tot het betalen van een bedrag van € 577,15 bruto vanwege te veel genoten verlof.
Oordeel
Verrekening loon en vakantiegeld
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen het erover eens dat werkgever aan werknemer nog een bedrag van € 3357,11 bruto, zijnde € 2396,47 netto, aan loon en vakantiegeld dient te voldoen, zodat dat bedrag in conventie in beginsel toewijsbaar is. In conventie doet werkgever echter uitdrukkelijk een beroep op verrekening van dit bedrag met een tegenvordering die werkgever op werknemer stelt te hebben. Conform het bepaalde in artikel 6:136 BW kan van een succesvol beroep op verrekening slechts sprake zijn indien deze tegenvordering erkend wordt door de wederpartij, dan wel indien deze op eenvoudige wijze is vast te stellen. Zowel dat eerste als dat laatste is naar het oordeel van de kantonrechter in casu niet het geval. Het door werkgever gedane beroep op verrekening wordt dan ook afgewezen. Voornoemd totaalbedrag zal worden toegewezen.
Onverschuldigde betaling
In reconventie is aan de orde de gevorderde verklaring voor recht dat werkgever het bedrag van € 4946,10 onverschuldigd heeft voldaan aan werknemer. Werkgever heeft deze vordering echter onderbouwd door te stellen dat er wél een rechtsgrond aanwezig was, namelijk een tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende betaling door werkgever aan werknemer ter compensatie van gelegde loonbeslagen. Dat er een betalingsafspraak bestond is door werknemer erkend, zodat er daarmee naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake kan zijn van het ‘zonder rechtsgrond geven’. Met andere woorden: er is geen sprake van onverschuldigdheid. Dat partijen van mening verschillen over het vervolg van die betalingen (lenen dan wel geen lening c.q. terugbetalen naderhand of niet) doet immers aan de afspraak om die bedragen te betalen niet af. Dat die betaalde bedragen werknemer niet toekomen, in de optiek van werkgever, vloeit voort uit haar standpunt dat er sprake is van een lening, en dat die bedragen ‘retour moeten’ naar werkgever en daarmee gevoelsmatig onverschuldigd zijn, is een andere kwalificatie dan het juridisch onverschuldigd zijn. Een verklaring voor recht dat er sprake is van een lening, is echter niet ingesteld. De vordering in reconventie wordt dan ook afgewezen.
Verlofuren
Werkgever vordert in reconventie werknemer te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 577,15 bruto vanwege 32 uur te veel genoten verlof. Volgens werknemer heeft hij echter maar 18,67 uur te veel verlof genoten, doch dat negatieve verlofsaldo mag volgens hem niet worden verrekend omdat het niet schriftelijk is overeengekomen. De kantonrechter stelt vast dat werknemer heeft verwezen naar jurisprudentie waarin is vastgelegd dat een werknemer het negatieve verlofsaldo niet hoeft te vergoeden aan zijn ex-werkgever bij het einde van het dienstverband, tenzij zulks uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen. Niet gebleken is dat partijen schriftelijke afspraken hebben gemaakt over hoe om te gaan met een negatief verlofsaldo. Gebleken is verder dat, nadat werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd (bij brief van 27 juni 2016) hij nog een aantal dagen verlof heeft genomen, te weten van 27 juni 2016 tot en met 30 juni 2016, op 1, 4 en 5 juli 2016, alsmede van 25 tot 29 juli 2016. Gelet op het in zicht zijnde einde van de arbeidsovereenkomst, had werkgever het opnemen van deze vakantie wel degelijk (al dan niet gedeeltelijk) kunnen verhinderen en daarmee kunnen voorkomen dat er een negatief saldo aan verlofuren zou ontstaan. Mede bezien tegen deze omstandigheid, dient de vordering tot vergoeding van het negatieve vakantiesaldo te worden afgewezen.