Naar boven ↑

Rechtspraak

Frontex BV/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 februari 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:528

Frontex BV/werknemer

Proeftijd niet eerder aangevangen vanwege WW-uitkering en ‘laag loon’ gedurende maand dat werknemer zou hebben gewerkt voor aanvang arbeidsovereenkomst .

Feiten

Op 13 mei 2013 hebben partijen een arbeidsovereenkomst ondertekend. Daarin staat opgenomen dat de arbeidsovereenkomst aanvangt op 1 juni 2013 en eindigt op 1 december 2013. Op 30 juni 2013 heeft (de directeur van) Frontex aan werkemer een e-mail gestuurd met onder andere de volgende inhoud: ‘Ik heb besloten om de organisatiestructuur te veranderen. Concreet betekent dit o.a. dat de functie van formulemanager met onmiddellijke ingang is opgeheven. De functie waarvoor jij bent aangenomen is vervallen en om die reden wordt de arbeidsovereenkomst met ingang van heden formeel opgezegd.’ Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij feitelijk op 16 mei is gestart met werkzaamheden, zodat de proeftijd is verstreken. De kantonrechter heeft werknemer in het gelijk gesteld.

Oordeel – proeftijd niet eerder aangevangen vanwege WW-uitkering en ‘laag loon’

Werknemer genoot (in ieder geval) gedurende de periode 16 tot en met 31 mei 2013 een WW-uitkering. Werknemer heeft niet verklaard deze uitkering ten onrechte te hebben ontvangen. Voorwaarde voor het recht op een WW-uitkering is dat betrokkene in de desbetreffende periode geen aanspraak op loon heeft. Werknemer heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep het standpunt ingenomen dat hij voor het verrichten van werkzaamheden vóór 1 juni 2013 met vrije tijd zou worden gecompenseerd. In eerste aanleg voegde werknemer daar aan toe dat hij door het accepteren van deze vorm van vergoeding ‘niet eens het minimum loon betaald kreeg’. Het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat tussen Frontex en werknemer voorafgaand aan 1 juni 2013 geen arbeidsovereenkomst bestond. In de eerste plaats zou dat niet te verenigen zijn met de door werknemer gedurende de hele maand mei 2013 ontvangen WW-uitkering. Voorts heeft werknemer gesteld op grond van de volgens hem met Frontex gemaakte afspraak (‘tijd-voor-tijdregeling’) slechts recht te hebben gekregen op een vergoeding lager dan het minimumloon, terwijl, als de arbeidsovereenkomst tussen partijen eerder dan per 1 juni 2013 zou zijn ingegaan, hij minstens het minimumloon zou hebben moeten verdienen, zo al niet het overeengekomen salaris van € 4500 bruto per maand. Zowel werknemers aanspraak op een WW-uitkering vóór (en tot aan) 1 juni 2013 als zijn stelling dat hij in die periode, volgens de afgesproken ‘tijd-voor-tijdregeling’, minder dan het in de arbeidsovereenkomst genoemde loon (en minder dan het minimumloon) ontving, staat haaks op het – uit artikel 3:33 BW volgende – uitgangspunt dat partijen hebben gewild de arbeidsovereenkomst eerder dan op 1 juni 2013 te doen ingaan of dat zij dit laatste metterdaad hebben gedaan. Dezelfde omstandigheden brengen mee dat werknemer evenmin redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst vóór 1 juni 2013 een aanvang had genomen. Vóór die datum heeft tussen partijen dus geen arbeidsovereenkomst gegolden, zodat de daarin overeengekomen proeftijd (pas) op 1 juni 2013 is ingegaan.