Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 16 maart 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:2400
werkneemster/werkgever
Feiten
Met ingang van 1 september 2016 zijn de bedrijfsactiviteiten van werkgever beëindigd. Werkneemster is met ingang van 1 maart 2000 krachtens arbeidsovereenkomst bij werkgever in dienst getreden als verkoopster. De arbeidsovereenkomst van werkneemster is met gebruikmaking van toestemming van het UWV door werkgever opgezegd tegen 1 januari 2017. Werkgever heeft aan het UWV verzocht om een verklaring Overbruggingsregeling transitievergoeding ex artikel 7:673d BW juncto artikel 24 Ontslagregeling. Het UWV heeft deze verklaring bij beslissing van 23 augustus 2016 geweigerd, kort gezegd omdat de waarde van de vlottende activa van de onderneming kleiner was (€ 92.688) dan de schulden met een resterende looptijd van hooguit een jaar (€ 63.624). Werkneemster verzoekt onder meer betaling van de (reguliere) transitievergoeding. Werkgever voert verweer.
Oordeel
In artikel 7:673d BW is, kort gezegd, voorzien in de Overbruggingsregeling voor kleine werkgevers als het gaat om de verschuldigde transitievergoeding. In de Ontslagregeling is in artikel 24 lid 2 geregeld onder welke cumulatieve voorwaarden artikel 7:673d BW van toepassing is en een van die voorwaarden luidt: ‘c. binnen de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar.’ Werkgever heeft de ontslagaanvraag ingediend wegens een slechte financiële situatie en had minder dan 25 werknemers in dienst. Het gaat in deze procedure om de vraag of werkgever voldoet aan voorwaarde (c). In hetgeen werkgever heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van de fiscale waarde van de voorraad van werkgever op 31 december 2015 zoals die nota bene door haarzelf bij de Belastingdienst is ingediend. De waarde van de vlottende activa op 31 december 2015 bedroeg € 92.688. Zelfs indien de rekening-courant bij de ABN AMRO als kortlopende schuld wordt aangemerkt, bedroegen de totale kortlopende schulden op 31 december 2015 € 85.163. De conclusie is dat de waarde van de vlottende activa op 31 december 2015 ook in dat geval hoger is dan de schulden met een resterende looptijd van hooguit een jaar. Dit betekent dat aan voorwaarde (c) niet is voldaan, zodat werkgever zich niet kan beroepen op de Overbruggingsregeling en de reguliere transitievergoeding toewijsbaar is. Nu deze door werkneemster is becijferd op € 19.565,67 bruto en de juistheid van die berekening verder niet door werkgever is betwist, zal deze vergoeding worden toegewezen. Werkgever heeft becijferd dat werkneemster nog recht heeft op uitbetaling van 98,4 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. Werkgever heeft zich evenwel bereid verklaard de ter zitting door werkneemster gevorderde vakantie-uren uit te betalen. Verder maakt werkneemster nog aanspraak op uitbetaling van vakantiebijslag over 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016. Nu dit bedrag correspondeert met de berekening die werkgever heeft overgelegd, is dit bedrag toewijsbaar. Werkgever heeft nog verzocht om een betalingstermijn van drie maanden na de dag van de beschikking, om zo het nettobedrag van de eindafrekening te kunnen voldoen en een persoonlijk faillissement te voorkomen. Alhoewel de bedrijfsactiviteiten van de door werkgever gedreven eenmanszaak inmiddels zijn beëindigd, ziet de kantonrechter aan de hand van de overgelegde stukken wel degelijk in dat de slechte financiële resultaten daar debet aan waren. Om deze reden begrijpt de kantonrechter dat werkneemster ook voor het geval de reguliere transitievergoeding wordt toegewezen, om betaling van die vergoeding in termijnen heeft verzocht. Dit verzoek wordt gehonoreerd.